De Roemruchtige werd rustig wakker. De vogels floten lustig en het zonlicht priemde door de schaarse openingen van de tent. Het geluid van een kabbelend beekje was zachtjes hoorbaar in de verte. Al vlug werd de Roemruchtige rusteloos. Rust en vrede gaven hem een rusteloos gevoel. Hij was een man van actie, niet van rust en kalmte. Resoluut sprong hij recht en greep zijn tenue vast. In geen tijd was hij gewassen en gekleed. Koud water natuurlijk want echte roemruchtigen gaven niets voor warme baden. Ijskoud water! Daarmee wasten veroveraars zich. Toen hij de tent krachtdadig verliet stond één van zijn soldaten hem op te wachten met een bal in de handen. De Roemruchtige keek de soldaat verbaasd aan.
‘Edele Roemruchtige,’ sprak de soldaat, ‘we hebben antwoord gekregen van de vijandige stam.’
‘Spreek’, antwoorde de Roemruchtige. De soldaat aarzelde een ogenblik. Was hij al niet aan het spreken? Toen vervolgde hij.
‘De vijandige leider van de vijandige stam heeft uw ultimatum verworpen, oh edele Roemruchtige. Zij hebben niet alleen hun stad versterkt maar ook nog eens soldaten van een naburige stam te hulp geroepen en zij houden nog steeds uw zoon gevangen. De priesters van het vijandige kampt zijn de ganse nacht aan het bidden voor het beeld van de god van het vijandig kamp. Ze hebben tientallen mensen aan hun god geofferd, waaronder uw zoon. Ze eisen dat u zich terug trekt of u zal de wraak van de god van het vijandig kamp voelen. De bal ligt dus in ons kamp.’
De soldaat stond ongemakkelijk te wachten om een reactie. De roemruchtige bekeek de bal die de soldaat in zijn handen had haast onverschillig aan. Het leek nogal een vreemde bal. Een moeilijk bespeelbare bal. Maar dat had de Roemruchtige graag. Hij hield van uitdagingen. Hij was niet voor gemakkelijke overwinningen. Liever veroverde hij met veel moeite. Het liefst was hij met zijn leger in de minderheid. Dat gaf zijn reputatie nog meer uitstraling. Stenen goden van vijandige stammen konden hem niet imponeren. Dat waren maar stenen. Hij dacht een kort ogenblik aan zijn zoon. Maar de Roemruchtige was nog jong en had nog tijd om nakomelingen te hebben. Hij schudde het verlies van zijn zoon van zich af zoals een hond de regen afschud.
De Roemruchtige beviel dat zijn raadsheer moest komen. De raadsheer was echter op de pinken en was direct paraat. Hij wist dat zijne Roemruchtige niet graag wachtte. Raadsheren die de Roemruchtige lang lieten wachten, leefden niet lang. Daarom stond hij dag en nacht paraat ook al was de vermoeidheid verschrikkelijk. Gelukkig sliepen roemruchte, anders was de raadsheer al lang bezweken aan oververmoeidheid.
De Roemruchtige bekeek zijn raadsheer.
‘Raadsheer’, spraak de Roemruchtige, ‘ik heb je raad nodig. Ik wil namelijk een stad veroveren en vernietigen. Ze hebben mij weerstaan en mijn zoon geofferd aan en stuk steen. Het is echter een goed bewaakte stad van een vijandige stam die veel goed getrainde soldaten telt. Ik wil dat je me de moeilijkste manier toont om die stad te veroveren. Ik wil die stad met heel veel moeite veroveren op de moeilijkste manier een stad ooit veroverd geweest is. Begrijp je, raadsheer?’
De raadsheer knikte. Hij haalde enkele kaarten uit zijn jas en vouwde die open.
‘U hebt geluk, edele Roemruchtige. De stad is goed bewaakt en heeft een goede verdediging. Niet alleen zijn de stadsmuren hoog en de poorten sterk maar ligt de stad nog eens op een hoge berg zodat ze moeilijk te bereiken is. Er is maar één weg naar de stad en die is constant bewaakt. Je zou natuurlijk langs de andere zijde de stad kunnen proberen te bereiken. Maar dat moet je een steile wand beklimmen. Daarin is nog nooit een mens in geslaagd. Geen mens zal verwachten dat je langs daar zal gaan maar dat betekend niet dat daar geen verdedigers zullen zijn. Integendeel.’
‘Zo zo, geen mens die er ooit in geslaagd is.’ De Roemruchtige keek strijdvaardig. ‘Voor alles is een eerste keer en ben roemruchtig omdat ik vele dingen voor het eerst gedaan heb. Dus zal ik met enkele getrouwen die klim doen. Dan zal ik eigenhandig de poort openen zodat de rest van mijn troepen de stad kan innemen.’
‘Ah, edele Roemruchtige. Mocht u daar in slagen, zal het voor uw leger nog steeds moeilijk zijn om de stad te veroveren.’
De roemruchtige glimlachte.
‘Vertel me alles wat je weer, raadsman. Ik begin er zin in te krijgen.’
Bij het vallen van de avond glipten een groepje mannen uit het kamp van de Roemruchtige. Ze waren allen in het zwart gekleed en liepen heel stil en vlug. Een lange tijd liepen ze verder langs beken en valleien. Toen kwamen ze voor een steile rotswand. Met veel moeite begonnen de mannen te klimmen. Lang en moeilijk was de klim. Zo moeilijk dat er slechts enkelen boven raakten. De meesten waren gevallen en lagen nu dood aan de voet van de klim. De weinigen die erin geslaagd waren, namen hun wapens ter hand. Ze slopen door de stad maar stoten al gauw op vijanden. Al vechten baanden ze een weg naar de poort. Slechts één man bereikte die poort: de Roemruchtige. Hij vocht als een waanzinnige en verloeg elke verdediger die op zijn pad kwam. Zo slaagde hij erin om de poort te openen. Zodra de poort open was, kwam zijn leger in beweging. Maar de verdedigers van de stad verweerden zich heftig. De Roemruchtige vestigde zich in de voorhoede en vocht met zijn troepen om de stad te veroveren. Tientallen sneuvelden in zijn pad en dan nog honderden. Na een lange en hevige strijd waren er nog slechts enkele van zijn soldaten over. De ganse stad was veroverd want er was geen mens van de vijand meer in leven. Samen met het restant van zijn leger ging de Roemruchtige naar het kamp terug. Daar werd hij verwelkomt door de soldaten die achter gebleven waren. Toen keerde de Roemruchtige terug naar zijn land en werd er verwelkomt als een held. Zijn reputatie werd nog groter en hij genoot met volle teugen. Toen hij de hoofdstraat van de hoofdstad op wandelde werd hij begroet door een juichende menigte. Plots zakte de Roemruchtige in elkaar en bleef bewegingsloos liggen. De menigte kreeg sprakeloos toe toen de raadgever en de geneesheer naar de Roemruchtige renden. De geneesheer onderzocht de Roemruchtige grondig. Toen keek hij de raadsheer aan en sprak.
‘Helaas, onze edele Roemruchtige is dood.’
De raadsheer was onthutst.
‘Maar dat kan niet. Hij was nog zo jong en sterk. Wat kan onze Roemruchtige zo maar gedood hebben?’
‘Straling.’
De raadsheer was nog meer onthutst.
‘Straling? Welke straling?’
‘Ah, waarde Raadsman. Door de recente verovering had de reputatie van de Roemruchtige nog meer uitstraling gekregen. Te veel uitstraling voor elk normaal mens maar ook te veel voor de Roemruchtige. De uitstraling van zijn reputatie is hem fataal geworden.’
De raadsheer keek de geneesheer aan.
‘Nogal een roemloos einde voor zo’n roemruchtige.’
‘Ah, wel leggen hem in een roemruchtig graf. Dan heeft hij een passende begrafenis gekregen.’
De roemruchtige werd begraven in een anoniem graf op het kerkhof van een anoniem stadje. Geen mens heeft ooit nog van hem gehoord. Geen mens die ooit nog zijn naam kent of zijn familie. Hij bleek uiteindelijk maar een roemloze Roemruchtige te zijn.






donderdag, 24 juli, 2008 at 14:31
Schitterend !
zaterdag, 26 juli, 2008 at 13:28
en lang :p