Er was eens een ridder. Een dappere ridder. Op een dag trok hij er op uit. Hij ging ten strijde. Niet tegen menselijke vijanden. Nee. Veel erger. Hij ging ten strijde tegen een draak. Toen bestonden draken nog. Echt. Onze ridder was volledig uitgerust met een stevig harnas, een groot zwaard en dito schild en reed op een prachtige strijdros. Waarom deed die ridder dat? Er zijn toch veel leukere dingen dan ten strijde trekken tegen draken. Zelfs voor ridders. Minder gevaarlijke dingen ook. Onze ridder ging namelijk ten strijde vanwege een belofte. Hij ging uit liefde. Of dat meende hij toch. Echt. Hij was smoorverliefd. Tot over zijn oren. Hij liep met een roze bril door het leven. Mocht er in die tijd brillen bestaan hebben natuurlijk. Ja, hij zag het wel zitten. Eerst een draak doden en dan! Haha. Dan mocht hij zijn geliefde minnekozen. Nu gebruiken we natuurlijk andere termen. Maar toen werd dit minnekozen genoemd. Woorden als rampetampen kenden men toen niet. Pardon? U weet niet wat rampetampen is? Zoek het eens op. U bent nu toch op het internet. Helaas bestond het internet nog niet toen onze ridder op zijn queeste begon. Hij vroeg zich af hoe hij het gemakkelijkst een draak kon doden. En vooral: hoe hij die ging vinden. Er waren niet veel draken meer over. Ze werden zeldzaam omdat nogal veel ridders die probeerden te doden. Draken doden werd nogal hoog in het vaandel gedragen. Zo hoog dat vaandeldrager een gloeiende hekel hadden aan dat soort vaandels. Ridder echter waren er dol op. Wie een draak gedood had, was pas een echte ridder. Dat was al sinds mensenheugenis zo. Sinds het verhaal van ene Michael die een draak had dood gespietst werd draken doden aanzien als het grootste dat een ridder ooit kon doen. Dat die Michael eigenlijk nooit echt een draak had gedood, was al lang vergeten. De mythe bleef echter bestaan. Dus waren er haast geen draken meer. En ridders moesten echt zoeken om er nog eentje te vinden. Niet alleen omdat draken zo schaars waren. Draken waren meestal heel slim. De draken die nog leefden. De dode draken waren eerder dommeriken. Daarom waren ze ook dood. Alleen de slimme bleven over. Onze ridder had hier en daar wat inlichten gezocht bij tovenaars en wijzen maar hij was niet bepaald wijzer geworden. Enkel armer. Dus reed onze held verder met een zwaar gemoed. Dat was nogal vervelend voor zijn strijdros. Strijdrossen denken eigenlijk vooral aan één ding: naar de strijd rijden. Daarvoor zijn het strijdrossen. Zonder een strijd voelen ze zich nogal nutteloos. Nu liep dat paard daar maar wat rond met een ridder op zijn rug die niet alleen zwaar woog vanwege zijn harnas, zwaard en schild maar ook nog eens een zwaar gemoed had. Gelukkig was die strijdros sterk of het beest was gegarandeerd door zijn poten gezakt.
Plots kwam de ridder aan in een klein dorpje. Of wat er van over schoot. De huisjes en hutten stonden in brand en de weinige overlevenden liepen in paniek rond. De ridder, die hier onrecht in meende te mogen zien, hield een van de bewoners kordaat staande en vroeg wat er gebeurt was.
‘Ah, heer ridder, rampspoed ende ellende. We zijn overvallen door enen draak. Hij heeft ons aangevallen ende ons Arabella meegenomen. Owee, owee. Rampspoed ende ellende.’
‘Hij heeft uw dochter, een schone maagd ontvoert?’, vroeg de ridder direct. Maagden bevrijden uit de klauwen van een draak en dan de draak doden leverde nog meer statuus op dan enkel een draak doden. Vooral als de maagd in kwestie blond, mooi en rijk was.
‘Nee, heer ridder, niet mijn dochter.’
‘De dochter van iemand anders uit het dorp dan?’
‘Nee, heer, ook niet de dochter van iemand anders.’
‘Wie is dan die Arabella?’ Onze held begreep het niet goed meer.
‘Arabella, heer ridder, was mijn zeug. Een prachtig beest, al zeg ik het zelf. Vorig jaar heb ik maar liefst 7 prijzen gewonnen met haar. Owee, owee. Nu is de draak met haar weg en haar zal haar oppeuzelen.’
De ridder keek de man verbouwereerd aan.
‘Heeft die draak niet één maagd geschaakt? Niet een mooie jonkvrouw meegenomen?’
‘Neeje, neeje. Ik had nochtans gehoopt dat hij mijnen wuf ofte mijnen dochter ging mee nemen. Maar draken zijn slimmer dan dat. Mijn wuf is veel te vet en mijn dochters zijnde veel te mager en ze dragen veel te veel schmink ende parfum. Draken verteren heel slecht schmink ende parfum. Owee, owee. Had ik maar mijn Arabella geschminkt ende geparfumeerd. Owee, owee!’
De ridder voelde zich meer en meer oncomfortabel worden tijdens het gesprek. Dus vroeg hij de man waar de draak naartoe was. Die wees onze held de weg. Nog voor de man was uitgesproken was de ridder op weg. De strijdros rende als een pijl uit een boog weg want het beest voelde dat hij dit keer op weg was naar een strijd. De ridder wilde zo vlug mogelijk weg uit dat dorp met zijn vreemde bewoners. Al gauw kwam hij bij de verblijfplaats van de draak. Toen onze held voorzichtig naderde zag hij echter niet één maar twee grote draken en enkele kleine draakjes. Daar had onze held niet direct aan gedacht. De draken zagen hem echter niet.
‘Is dat alles wat je kon mee brengen? Een gans dorp verwoest ende verbrand en slechts één varken? Hoe wil je dat we ons nageslacht opvoeden ende grootbrengen als ze niet genoeg eten krijgen? Gij zijt een zwak excuus voor een draak! Mislukkeling! Ge zijt eerder een domme hagedis met vleugels dan een draak!’
Onze held hoorde dat hij was aangekomen ten midden van een echtelijk dispuut. Hij stond een beetje versteld te luisteren hij de vrouwelijke draak haar man de huid vol schold. En aangezien draken heel groot zijn en dus ook veel huid hebben, zat ze behoorlijk op haar man te schelden. Zo erg had onze held nog niemand horen schelden. Hij werd er bloedrood van. Helaas voor hem had de vrouwelijke draak hem gezien.
‘Verdorie. Daar heb je weer zo’n vervelende ridder die ons komt doden. Maak dat hij weg komt of vreet hem op.’
‘Maar schatje …’
‘Niets te schatje, zorg dat die kloteridder zo vlug mogelijk van onder mijn ogen is!’
De mannelijke draak draaide zich onwillig om en ging in de richting van onze held. Hij had niet bepaald veel zin om ridders te doden maar aangezien zijn vrouw niet goed gezind was, sprak hij haar liever niet tegen. Dus ging hij traag op weg om de ridder te doden. Die was echter niet van plan om zich zomaar te laten doen. Omdat hij echter nog steeds niet wist hoe hij die draak kon doden, besloot hij tijd te winnen. Hij had een idee. Een sluw en vernuftig idee. Dat vond hij toch zelf. Toen hij de draak zag naderen, begon gij te lachen. Hoe dichter de draak naderde,des te meer lachte onze held. Toen de draak vlakbij hem stond en vervaarlijk boven hem uit torende, liepen de tranen over de wangen van onze held van het lachen. De draak vond dit uitermate vreemd. Nog nooit had een ridder hem op deze manier behandeld. Meestal stormden ze met opgeheven zwaard en schild op hem af. Een domme strategie want geen enkel ridder had het zo overleeft. Deze zat echter als een gek te lachen zodat de draak dacht dat het inderdaad een gek was.
‘Wel, wel, klein ventje. Wat is er zo plezant?’
‘Gij. Gij zijt zo plezant.’
‘Zo, en waarom dan wel, klein ventje?’
‘Wel: ziet u hier staan. Een machtige draak: groot en angstaanjagend. Een krachtige, sterke, vuurspuwende draak … en ge staat onder de plak van uw vrouw.’ De ridder begon weer onbedaarlijk te lachen.
‘Zo.’, brulde de draak, ‘ik sta onder de plak van mijn vrouw? Zijt gij alleen maar hier gekomen om me te beledigen?’
‘Oh, nee’, antwoordde de ridder, ‘ik was eigenlijk gekomen om u te doden. Maar nu wil ik dat niet meer. Er is geen eer te verdienen met het doden van een draak die onder de plak van zijn vrouw staat.’
De draak werd woedend maar probeerde zich te kalmeren. Hij was uiteindelijk nog steeds een slimme draak, zelfs een sluwe draak. En slimme, sluwe draken, ook al staan ze onder de plak van hun vrouw, zijn niet te onderschatten.
‘Zo, zo. Zeg me eens, grote held, waarom wilde je me doden? Voor de eer? De sport? Of is er een dame in het spel?’
De ridder stopte met lachen. De draak wist meteen dat hij het juist had.
‘Een of andere schone maagd? Wie mag het zijn? Laat me eens raden? Jonckvrouw Gwendoline: de beeldschone dochter van graaf Koenraad? Of Soetkin, de roodharige beeldschone maagd van de graaf van Vlaanderland?’
De ridder keek plots kwaad.
‘Hela. Niet die trienen. Mijn liefde is veel beter dan dat. Ik ben verliefd op een echte schone jonckvrouwe. Een beeldschone maagd. Geen opgetutte trut zoals die Gwendoline of Soetkin. Nee. De vrouw van mijn dromen heet Isabella: dochter dan de koning van Spanrijk.’
Nu begon de draak te lachen. Zo erg dat de grond begon te daveren en onze held nauwelijks op het zadel kon blijven.
‘Isabella. Dat klein, dom blondje? Dat onnozel schaap waar elke hertog en graaf van het land al mee geminnekoosd heeft? Dat een maagd? Hahahaahaa. Idioot! Dat is geen maagd meer!’
Woedend trok de ridder zijn zwaard.
‘Neem dat terug, gij leugenachtig reptiel. Mijn Isabella is nog steeds maagd! Neem dat terug of ik dood u! Zij is de mooiste maagd van de ganse wereld en ik zal uw doden in haar naam.’
‘Ah, manneke toch. Wat heeft ze je beloofd? Dat je haar mag minnekozen als je mij gedood hebt? Weet je hoeveel er je al voor gegaan zijn? Wat denk je dat er met de Blauw-zwarte Ridder gebeurt is? En Lancelot van Zwedemarken? Of Otto de Bermaan? Ze zijn allemaal naar hier gekomen met de belofte dat ze haar mochten minnekozen als ze mij doodde. Of mijn vrouw natuurlijk. Maar ze zijn allemaal dood. Wil je echt gedood worden voor dat mens? Een klein blondje dat meer minnaars heeft gehad dan er sterren aan de nachtelijke hemel staan?’
Onze held was volledig de kluts kwijt. Dat had hij helemaal niet verwacht.
‘Hoe weet jij dat allemaal?’, vroeg hij. ‘Waarom zou ik jou moeten vertrouwen?’
‘Hee, hee. Ik ben een draak. Ik weet wie maagd is en wie niet. Ik ken dat dingen. Ik kan een maagd ruiken van 100 mijl ver. Zeemijl wel te verstaan. Ik ben een expert op dat gebied. Plus: al die ridders die ik hier gedood heb voor jouw: die droegen allemaal haar reuk. Ik lieg niet, klein ventje. Waarom zou ik?’
Onze held werd door een hevige woedeaanval overvallen.
‘De verrekte teef. De smerige hoer. Ik zal haar. Ik zal haar!’
‘Wat zal je haar?’ De draak keek de ridder met pretoogjes aan.
‘Eh, wel … eh. Ik weet nog niet wat maar het zal erg zijn.
De draak boog zich naar de ridder en sprak.
‘Mag ik u een suggestie doen, heer ridder?’
(word ooit vervolgd … misschien)






woensdag, 14 mei, 2008 at 11:14
Mooi ! Prachtig !
Misschien ? Ooit ? Niets van ! Ik zit te wachten op een vervolg … aub ? Please ? Pleeze ? Plies ?