verhaaltje
1.
Er was ooit eens een ridder. Bij zijn geboorte werd hij Arthurus genoemd maar iedereen noemde hem Tuurke. Ook toen hij 18 jaar oud was geworden, noemden de mensen hem zo. Niet dat hij een klein, mager mannetje geworden was. Nee, integendeel. Hij was een grote, slanke man. Hij was ook een redelijk knappe man. Tenminste, nogal wat vrouwen vonden hem een heel knappe man. Alleen waren weinig mensen ook echt in hem geïnteresseerd. Ze vonden Tuurke maar een vreemde snuiter: een dromer, een onnozele hals, een beetje een sukkel. Toen op die bewuste dag, toen Tuurke 18 jaar oud werd, gebeurde iets vreemd. Niet dat Tuurke iets verwacht had want verjaardagen werden niet echt gevierd bij hem thuis. Zijn vader vond verjaardagen maar niets. Hij was een krijgsheer en krijgsheren vinden verjaardagen maar iets voor mietjes die niet kunnen vechten en voor vrouwen en kinderen. De vader van Tuurke was een echte kasteelheer die met harde hand regeerde over zijn domein als was hij een echte koning. Niet dat het domein veel voor stelde, laat staan dat hij rijk was. De meeste horigen haatte Tuurkes vader, ridder Berthus, als de pest. Zijn moeder had Tuurke eigenlijk nooit gekend. Die was jaren eerder overleden, bij de geboorte van zijn jongste zus. Sindsdien had zijn vader een andere vrouw en waren er ook nog stiefbroers en stiefzusters bij gekomen. Niet dat Tuurke gebrek had aan familie want hij was de jongste van 4 broers en had ook nog 2 oudere zussen. Berthus zou Berthus niet geweest zijn als hij niet al lang een plaats voor al zijn kinderen gevonden had. Zijn dochters werden al vlug beloofd en uitgehuwelijkt aan geschikte rijke mannen die vooral zijn eigen rijkdom vergrootte. Zijn zonen werden ofwel schildknaap ofwel monnik in één of ander klooster. Tuurke was jaren schildknaap geweest bij ridder Baradur maar nu hij 18 was geworden keerde hij terug naar het ouderlijke kasteel. Van de ridder had hij enkele geschenken ten afscheid gekregen: een oud maar sterk paard, een aftands zwaard, een schild en een grote bijl. Tuurke kan redelijk goed overweg met een bijl. Niet alleen in het strijdperk maar vooral om hout te haken. Geen enkel mens in het gevolg van de graaf kon zo efficiënt hout hakken en houtblokken klieven als Tuurke. Voor een ridder was Tuurke nogal zachtzinnig en edelmoedig. Dat vond Berthus maar niets. Berthus had echter niet door dat Tuurke ook moedig en heldhaftig kon zijn wanneer het nodig was.
Toen Tuurke die ochtend aan kwam stond het ganse gezin hem op te wachten. Dat verbaasde Tuurke enorm. Voordien hadden niet veel mensen echt aandacht aan hem besteed. Hij was nog maar nauwelijks de ophaalbrug op gestapt of Berthus versperde hem de weg.
‘Tuurke’, zei hij’, ik zie dat je terug gekomen bent. Ik had gehoopt dat die dag nooit meer zou komen maar hier ben je toch. Luister goed want ik zeg het maar één keer. Jij bent eigenlijk mijn zoon niet. Jij bent de zoon van Walter de molenaar. Ja, je kijkt raar maar het is verdorie waar. Je moeder had een affaire met de dwaas van een molenaar en jij bent daar het resultaat van. Ik wil je hier niet meer. Je bent nu een volwassen man en hebt genoeg geleerd om te leven in de wereld. Vertrek!’
Tuurke keek zijn vader aan. Eerst verbaast maar dan kalm en verzekerd.
‘Ik zou natuurlijk kunnen zeggen dat je loog’, antwoordde hij, ‘maar ik vind het idee dat ik jouw zoon eigenlijk niet ben wel aantrekkelijk.’
Berthus keek Tuurke lelijk aan en greep het gevest van zijn zwaard vast.
‘Ik zal u geen problemen geven. Ik ben vertrek wel. Maar weet dit, Berthus, ooit ontmoeten we elkaar opnieuw en dan zal je wat mee maken!’. Tuurke liet zijn paard omkeren en vertrok. Achter hem hoorde hij Berthus allerlei verwensingen en beledigingen roepen. Het kon Tuurke weinig schelen. Wel zat hij in de put. Hij had geen idee waar hij heen kon gaan. In gedachten verzonken reed hij over het platteland. Plots kwam hij langs een molen. Fred, de molenaar, had Tuurke reeds zien aankomen en begroette hem hartelijk.
‘Zo Tuurke, een ritje aan het maken? Je bent toch niet naar hier gestuurd van je vader? Ik heb …’ Tuurke stak bezweren zijn hand op.
‘Nee, Fred. Berthus heeft me niet gestuurd. Hij wil voorlopig niets van je. Hij heeft nog meel genoeg. Ik ben niet meer welkom op het kasteel.’
‘Hemel, Tuurke. Hoe is dat mogelijk? Wacht. Plaats je paard daar in de wei en kom binnen. Het lijkt er sterk op dat je wel iets te drinken kan gebruiken.’
‘Dank je, Fred’.
Enige ogenblikken later zaten Tuurke en Fred bij het haardvuur in de molen. Saartje, de vrouw van Fred, had hen beiden eten en drinken gegeven en zat te luisteren met haar jongste kind op haar schoot.
‘Ik weet niet of je dit graag zal horen, Fred.’ Tuurke nam een slok van zijn mede. Fred keek hem verbaasd aan.
‘Hoe heb ik er iets mee te maken?’
‘Niet jij, maar Berthus heeft me wel iets verteld van mijn moeder en ook iets over je vader, Walter.’ Fred trok een verrast gezicht maar zei niets.
‘Volgens Berthus ben ik niet zijn zoon maar de zoon van Walter de molenaar. Dus jouw vader is ook mijn vader. Althans, dat beweert de man die ik mijn ganse leven als vader beschouwde.’ Fred floot van verbazing.
‘Denk je dat hij loog? We lijken eigenlijk wel een beetje op elkaar maar om nu precies je broer te zijn? Begrijp me niet verkeert, Tuurke. Ik vind je een goede kerel en ik zou het fantastisch vinden om een broer als jij te hebben. Maar ik vind het wel vreemd en nogal moeilijk te geloven. Er worden trouwens al genoeg verhalen verteld over mijn vader.’
‘Ik weet het, Fred. Maar ik ben niet meer welkom op het kasteel en daar kan ik niets aan veranderen.’
‘Wat ga je nu doen?’
‘Geen idee. Ik trek de wijde wereld in en zie wel wat er gebeurt.’
‘Het ga je goed, Tuurke. Wacht: ik geef je wat eten en drinken mee. Het is niet veel maar het is toch iets. Velen hadden gehoopt dat je ooit kasteelheer zou worden wanneer Berthus zou sterven want je bent een goed mens. Helaas…’ Fred zuchtte diep.
‘Ik ben je enorm dankbaar Fred. Hopelijk kan ik ooit iets terug doen voor jou.’
Fred opende een kast op zoek naar eten. Onderaan zag Tuurke een groot zwaard, een schild en een helm liggen.
‘Dat is nogal een zwaard dat je daar hebt, Fred.’ Tuurke keek er verwonderd naar.
‘Ja’, antwoordde Fred, ‘dat was iets van vader. Volgens hem behoorde die ooit tot zijn overovergrootvader. Een echte held zei hij. Húrin heette hij. De verhalen die over hem de ronde doen zijn te fantastisch om te geloven. Maar toch: dit zwaard is ook te fantastisch om te geloven. Het is oud maar toch nog scherper dan de meeste zwaarden die de smid tegenwoordig maakt.’
Kort daarop verliet Tuurke de molen. Dagen zwierf hij rond door bossen en velden. Velden werden bossen en toen werd het terrein heuvelachtig en later kwam Tuuke aan een grote bergformatie. Die stak hij zo goed mogelijk over, koude en regen trotserend. Af en toe kon hij een dier vangen want Tuurke was redelijk bedreven met pijl en boog. Na een tijd kwam hij aan bij een hutje, diep in een woud. Tuurke wist al lang niet meer waar hij zich precies bevond en ik welk land of domein hij vertoefde. De hut leek verlaten en was nogal koud. Tuurke ging het woud in en hakte hout voor de open haard. Daarna, eenmaal er een vuur in de haard brandde, herstelde hij het rieten dak zodat het niet meer binnen kon regenen en de warmte niet meer zo vlug uit het hutje ontsnapte. Na een korte maaltijd viel Tuurke in slaap. Plots schrok hij wakker. Drie oude dames keken hem aan.
‘Ben jij degene die het vuur heeft gemaakt in de haard?’, vroeg de ene.
‘en die het dak herstelt heeft?’, vroeg de tweede.
‘en dat hier zo een heerlijk konijn heeft klaar gemaakt?’, vervolgde de derde.
‘en die zo’n heerlijk brood heeft gebakken?’, vervolgde de tweede.
Tuurke keek van de ene naar de andere.
‘Ja, dat ben ik.’
‘Dank u, edele ridder’, zeiden alle drie in koor. ‘Wij zijn u zeer dankbaar dat ons huisje eindelijk nog eens warm en droog is en dat we nog zo iets heerlijks te eten kregen.’
‘Het was mij een voorrecht, edele dames, om in uw huis te hebben vertoefd. Vergeef me, ik wist niet dat dit huis bewoond was. Maar nu ga ik terug op weg.’
‘Wacht’, zei de eerste.
‘We zullen u iets mee geven,’ zei de tweede.
‘Een geschenk voor onderweg want uw tocht is ver en niet zonder gevaren,’ vervolgde de derde. ‘Maar open het nog niet onmiddelijk. Slechts als de tijd rijp is, mag je het gebruiken.’
Ze gaven hem een wit pakje. Tuurke kon niet goed zien wat het pakje bevatte. Hij bedankte de drie dames uitvoerig. Beleefd nam de ridder afscheid en vervolgde zijn reis.
Na een tijdje werd het terrein heuvelachtig. Machtige bergen verrezen in het westen. Tuurke zocht een gemakkelijke route om de bergen over te steken. Dagen reed hij verder door een heuvelachtig landschap dat al gauw ruwer werd terwijl hij de loop van een rivier volgde. Die stroomde eerst nog kalm maar werd al vlug een snel stromende rivier. Tuurke zag lang geen enkel teken van bewoningHet scheen hem toe dat hij heel alleen op de wereld was. Plots kwam hij in een groene dal. Akkers en weides wisselden zich af met boomgaarden die veel fruit droegen. Tuurke zag echter nergens huizen. Hier en daar steeg echter donkere rook op. Ook waren her en der bomen omgehakt: ze lagen verspreid in het rond. Af en toe steeg een vreselijke stank op: de stank van de dood. Plots zag hij in een ronde ramen. Toen hij dichterbij kwam, merkte hij ook een ronde ingang. Een fel groene deur lag versplinterd aan de ingang. Tuurke keek er verbaast naar. De ingang was laag en niet voor mensen bedoeld. Tuurke vroeg zich verbaast af wie daar ooit gewoond had en wat er met de bewoners gebeurd was. Een eind verder vond hij echter het gruwelijk antwoord. Hij kwam aan een plaats waar in een grote cirkel de aarde verbrand was. Vol afschuw keek Tuurke naar een grote brandstapel waar heel wat lijken op verbrand waren. Tuurke reed haastig verder. Nog nooit had hij zo’n gruwelijk schouwspel gezien. Terwijl hij zich de vallei uit haastte, keek hij waakzaam rond. Plots zag hij beweging. Behoedzaam trok hij zijn zwaard maar toen zag hij tot zijn opluchting enkele pony’s die rondzwierven. Hij probeerde ze te lokken en tot zijn verbazing kwamen de pony’s vlug naar hem toe. De pony’s droegen niet alleen een zadel maar ook nog eens pakken alsof ze klaar waren om een lange reis te beginnen.
‘Vreemd’, dacht hij, ‘zouden hier nog overlevenden zijn van die slachtpartij?’
Hij besloot er op te wagen en zocht een beschutte plaats op om een kamp in te richten. Niet veel verder vond hij een kleine grot die hem geschikt leek. Hij onderzocht de grot en vond dat het reeds vroeger gebruikt was als schuilplaats. Niet alleen was er een plaats gemaakt om een vuur aan te leggen maar er lag ook nog allerlei voorwerpen in het rond. Tuurke vond echter geen levende ziel. Hij verzorgde de pony’s en zijn paard. Toen maakte hij een vuur en bereidde eten. Terwijl hij zat te eten speurde hij echter constant de omgeving af. Plots zag hij beweging. Hoewel hij hen niet had horen komen, doken plots twee kleine gestalten op. Ze leken haast kinderen maar zagen er toch volwassen uit. Tuurke stond voorzichtig op. Langzaam draaide hij zich naar de figuren en stak zijn handen omhoog.
‘Jullie hoeven mij niet te vrezen. Ik zal jullie niets doen.’
De twee kleine figuren schrokken en durfden niet meer te bewegen. Tuurke ging weer zitten.
‘Kom. Ik heb eten voor jullie. Ik zal jullie niets doen. Ik geef jullie mijn erewoord.’
Langzaam kwamen de twee dichterbij.
‘Wie ben jij en wat deed je in ons dorp?’, vroeg de eerste plots.
‘Ik ben Arthurus. Ik ben al een hele tijd op weg omdat ik geen thuis meer heb. Ik ben heel toevallig hier gekomen. Ik heb geen kwade bedoelingen. Kom, het is koud buiten. Zet jullie bij het vuur en eet.’
De twee figuren kwamen nog wat dichter maar durfden niet verder te gaan. Toen kwam nog een derde figuur de grot binnen.
‘Fréagol, Stéafol, blijf daar niet staan. Deze mens zal ons geen kwaad doen.’
De derde persoon zette zich spontaan bij het vuur. Tuurke merkte dat ze een zij was en een klein kind droeg. Tuurke bood haar brood aan en een bord warm eten die ze dankbaar aanvaarde.
‘Het spijt me, heer. Wij zijn eigenlijk geen achterdochtig volk. Ons dorp is enkele dagen geleden overvallen door onbekenden. Ze hebben een ware slachting aangebracht. Wij zijn de enige overlevenden. Ik ben Roosje en dit is mijn zoon Dèagol. Dit zijn mijn broers Fréagol en Stéafol.’ Langzaam kwamen de twee broers bij het vuur zitten. Ze namen het eten van Tuurke gretig aan en begonnen vlug te eten. Eerst keken ze nog wantrouwig naar hem maar al gauw begonnen ze hem meer en meer te vertrouwen. Tuurke wachtte tot ze allen voldoende gegeten hadden. Toen stelde zijn onverwachte gasten zich voor. Ze bleken geen dwergen te zijn, zoals Tuurke dacht maar een volk te zijn waarvan hij nog nooit had gehoord. Zelfs in de meest fantastische verhalen had hij nog nooit van Hobbits gehoord. Deze Hobbits woonden nog niet zo lang in de vallei. Jaren geleden woonden ze meer in het noorden maar toen besloot een deel van hen weg te trekken. Op hun lange tochten vonden ze tenslotte deze vallei. Ze dachten hier veilig en beschut te kunnen wonen en dat hadden ze een tijd gedaan. Tot de plotse overval. Geen van de drie wist met zekerheid te zeggen waarom de aanval en de slachtpartij gebeurt was. Ze hadden wel een verhaal maar dat was eerder een mythe: lang geleden had één van hun verwanten een krachtige toverring gevonden. Toen kwam een duister kwaad over hen en ze waren verplicht om die Hobbit te verbannen. Toen hij hen verlaten had, zijn ze op weg gegaan. Hun huizen en land hebben ze toen verlaten om te ontsnappen aan de duistere vloek die op hen was gevallen. Of het nu weer diezelfde vloek was die hen had getroffen, wisten de arme Hobbits niet. Tuurke stelde hen voor om het dal te verlaten en op zoek te gaan naar het noorden. Misschien waren daar nog Hobbits die hen konden helpen en waar ze konden blijven. De Hobbits vonden dit een goed idee. Ze hadden gelukkig voor elke Hobbit een pony en al vlug waren ze op weg. Tuurke had echter al vlug ontdekt dat ze eerst een stuk naar het westen moesten voor ze naar het noorden konden reizen. Zo volgden ze een minder bergachtig terrein en konden de Hobbits hem gemakkelijker volgen. Dagen ging de tocht verder en hoewel ze waakzaam waren, kwamen ze niemand tegen. Na een tocht van twee weken kwamen ze tenslotte in een bebost terrein waar ze eindelijk naar het noorden konden.
Tuurke reed meestal vooraan. De Hobbits vertelden hem veel over hun gewoontes en hun verleden. Hobbits bleken al gauw een vriendelijk en vrolijk volkje te zijn dat vooral graag at. Tuurke had al vlug zorgen om aan voldoende voedsel te komen maar dat bleek niet nodig. De Hobbits mochten dan klein zijn, ze waren wel vaardig in het vangen van klein wild en het bereiden van maaltijden. Na een paar dagen werd de atmosfeer in het bos waar ze reden anders. Grote bomen stonden dreigend in leken hen kwaadaardig te bekijken. ‘Ik denk dat het best is dat we dicht bij elkaar blijven en geen hout kappen. Dit bos is heel vreemd. Het lijkt te leven en ik wil geen problemen als het te vermijden is.’ Nauwelijks was de ridder uitgesproken of hij hoorde een vreemd geluid. Doffe voetstappen en gekraak. Maar ook gepraat. Vreemde woorden waarvan Tuurke niets verstond. Ze bleven allen staan toen tussen de bomen een heel vreemd tweetal op hen toe kwam. De eerste leek op een oude man al leek hij nog heel gezond en sterk. Hij was gekleed in een grijs gewaad. Zijn baard was lang maar de baard van zijn metgezel was nog veel langer. Deze mensachtige, bijna trolachtige figuur was letterlijk zo groot als een boom. Tuurke en de Hobbits keken met ontzag en eerbied naar de stoere verschijning met een hoog hoofd en bijna geen nek. Ze konden niet besluiten of hij gekleed was in iets dat op groene en grijze bast leek of dat dit zijn huid was. Het tweetal merkte Tuurke en de Hobbits en keek elkaar toen veraste aan.
‘Hrum, hoem. Mijn vriend, het ziet ernaar uit dat dit een dag word met vele onverwachte ontmoetingen. Een mens en drie kleine mensjes of toch iets wat daar op lijkt. Weet jij wat ze zijn, mijn vriend? Hrum, hoem. Ik heb een slecht gevoel maar laten we niet haastig spreken. Je weet: wees niet overhaast. Dat is mijn motto. Dit doet me aan iets denken dat ik me niet kan herinneren.’ De grote man keek zijn metgezel aan.
‘Boombaard, mijn vriend. Dit is een mens en drie Hobbits. De mens ken ik niet maar ik vermoed dat hij een ridder is en ver van zijn huis is. De drie Hobbits zijn even ver van huis. Ik ken dat volkje toch een beetje al blijven ze me verbazen.’ Toen keerde hij zich naar het gezelschap.
‘Jullie zijn ver van huis. Wie zijn jullie en hoe komen jullie in Fangorn?’
Tuurke en de Hobbits vertelden elk op hun beurt hun verhaal. Af en toe onderbrak de grijze man hen met een vraag maar meestal luisterde hij aandachtig. Toen hij hen aanhoort had, keek hij hen allen eens aan.
‘Het lijkt, vriend Boombaard, dat dit geen toevallige ontmoeting is. Of toch op zijn minst een heel gelukkig toeval. Mijn waarde Hobbits, ik weet waar jullie verwanten wonen. Meer nog. Ik was net op weg naar de Gauw. Zo heet het land waar ze al eeuwen wonen. Jullie voorouders hebben daar misschien ook geleefd. Ik was van plan terug te gaan om de verjaardag van een eerbiedwaardige Hobbit te vieren. Ik zal jullie vergezellen zolang ik kan.’ Toen keerde hij zich naar de grote man. ‘Met uw verlof zal ik deze Hobbits door Fangorn leiden en zo verder naar het noorden. De weg is nog lang en ik wil op tijd terug zijn. Dat zal je allemaal wel heel haastig lijken, mijn vriend, maar helaas zijn de tijden haastig geworden.’
De grote man keek een tijd naar de grijze man.
‘Hrum, hoem. Mijn waarde Gandalf. Jij hebt altijd verlof om door Fangorn te reizen. Dat hoef je me niet meer te vragen. Ik ben dan bedachtzaam en trager dan jullie maar niet zo traag om te weten dat je een vriend bent en altijd welkom in dit bos.’
Tuurke keek verrast bij het noemen van de naam. Gandalf! Wie had nooit van de tovenaar gehoord? Verhalen deden de ronde. De grijze reiziger was zelfs gekend in de verre landen waar Tuurke vandaan kwam.
‘Heer Gandalf. Ik ben blij dat je deze Hobbits wil vergezellen naar hun verwanten. Maar ik denk niet dat dit een plaats is voor mij. Waar kan ik naar toe? Wat raad u mij aan?’
Gandalf keek Tuurke aan en dacht een tijdje na.
‘Mijn beste man. Ik vermoed dat er veel plaatsen zijn waar iemand als jij zich nuttig kan maken. De heren van Rohan zouden een ridder als jij graag verwelkomen. Je hebt verstand van paarden en weet hoe je ze moet verzorgen. Gondor zou je ongetwijfeld ook verwelkomen. Elke sterke, jonge man die wapens kan hanteren zal daar welkom zijn.’
Tuurke dacht een ogenblik na.
‘Rohan lijkt me eerder iets voor mij. Ik verzorg liever paarden dan dat ik ten strijde moet trekken. Waar vind ik deze plaats en hoe kan ik er komen?’
‘Hrum, hoem. Rohan is ten oosten van Fangorn en in het zuiden al komen de paardenmeesters daar niet meer zo veel. Ze bewaken hun paarden veel meer dan vroeger want regelmatig komen dienaars van de duistere tovenaar om paarden te stelen. Hrum, hoem. Ga van hier naar het oosten. Zo is de kans het grootst dat je ruiters uit Rohan ontmoet.’
Tuurke overlegde nog een poos met Boombaard en Gandalf. Toen nam hij afscheid van hen en de Hobbits en vertrok.
Nauwelijks was hij enkele uren onder weg of hij hoorde hulpgeroep. In het dichte woud was iemand in nood. De ridder keek om zich heen en probeerde uit te vinden waar het hulp geroep vandaan kwam.
‘Verdorie,’, zei hij, ‘in dat dichte woud is het moeilijk om te horen waar dat geroep vandaan komt.’
‘Het komt van rechts. Neem je zwaard en schild en ga naar rechts.’ Tuurke nam direct zijn zwaard en schild en liep naar rechts. Het hulpgeroep kwam inderdaad dichterbij en Tuurke begon nog harde te lopen. Plots kwam hij op een open plek. Een jong meisje zat in een boom en werd belaagd door twee grote wolven. De wolven probeerden het meisje aan te vallen maar zagen in Tuurke plots een gemakkelijke prooi. Helaas was Tuurke goed bewapend en werden de wolven verrast. Tuurke bleek al vlug een moeilijke tegenstander en vaardiger met het zwaard dan velen zouden denken. Al gauw dropen de wolven gewond af. Terwijl hij zijn zwaard af veegde begon hij zich plots af te vragen wie hem op weg gezet had. Terwijl hij het meisje uit de boom zag klimmen kwam zijn paard naar hem toe door het dichte struikgewas.
‘Zo’, zei zijn paard, ‘dat was op het nippertje. Wargs – akelige beesten. Gelukkig waren ze maar met twee.’ Tuurke keek zijn paard met open mond aan. Een ogenblik kon hij niet spreken. Hij dacht dat hij gek geworden was.
‘Wel knappe jongen’, zei het meisje toen ze bij hem kwam, ‘wat scheelt er? Je ziet plots zo bleek!’
‘Ik hoorde mijn paard spreken’, antwoordde Tuurke. Toen bekeek hij het meisje en merkte iets heel vreemds. Ze zag er niet uit zoals de meeste meisjes die hij kende. Haar ogen waren groen als gras en haar oren eindigen in scherpe punten. Ze had blauwe haren en een vreemde huidskleur.
‘Wie … wie ben jij?’, stamelde Tuurke.
‘Ik ben Uriah. Ik ben een boself.’
‘Natuurlijk ben je een boself. Elk paard kent elfen en weet wat je bent. Helaas heeft Tuurke hier nog nooit een elf ontmoet. Anders zou hij niet zo stamelen.’
Het meisje draaide zich om naar het paard.
‘Ja, paard. Er zijn nog maar weinig mensen die elfen hebben gezien want wij tonen ons heel weinig. Tegenwoordig ook nog heel weinig aan paarden al ben ik blij weer eens met een paard te kunnen praten. Maar deze mens heeft me gered en ik heb het gevoel dat ik hem kan vertrouwen. Heb jij een naam, paard?’
‘Jawel, edele dame. De mensen noemen mij Parco.’
‘Aangenaam je te ontmoeten Parco. En jij ook Arthurus. Kom mee. Ik neem jullie mee naar mijn volk.’
Gedwee volgde Tuurke Uriah en Parco naar vreemd en wonderbaarlijk oord.
2.
Hij ontwaakte langzaam uit een donkere slaap. Eerst wist hij zelfs niet meer wie hij was, laat staan dat hij zich herinnerde waar hij was. Toen kwam een naam: ‘Arthurus’. Heel vaag hoorde hij een stem. ‘Tuurke komt bij, Gollem.’ Het laatste leek als een gorgelend geluid maar het leek toch vreemd bekend. ‘Inderdaad. Onze held komt blijkbaar weer bij bewustzijn.’ Een vreemd melodieuze en aangename stem. ‘Elf.’ De gedacht kwam onmiddellijk bij Tuurke op. ‘Hoogelf. Celeborn. Veilig.’ De woorden borrelden in zijn hoofd terwijl Tuurke vocht om weer bij bewustzijn te komen. ‘Uriah! Waar is Uriah?’ Toen kwamen de herinneringen terug.
Vele dagen geleden. Tuurke volgde samen met zijn paard de boself Uriah door het donkere bos want het was reeds nacht. Ze gingen naar het westen, naar het volk van Uriah. Ze was namelijk met een groep boselfen op weg naar hun verwanten in het Westen maar de tocht verliep moeizaam. De boselfen wisten eigenlijk nog niet zo lang dat ze nog verwanten hadden in het Westen. Jaren geleden kwam plots het nieuws dat de draak gedood was. Smaug was dood. Eerst werd dit als gerucht af gedaan want de draak, hoe gevaarlijk en geducht hij ook was, kwam maar zelden naar het Oosten en was niet echt een gevaar voor de boselfen. Toen kwam echter het volledige verhaal. De bard Willem Van Manderen bezong het verhaal op midzomernacht tijdens het bosfeest en toen hoorden ze voor het eerst over de boselfen die in het Demsterwoud een prachtig koninkrijk hadden. Verwanten van de hoge elfen (wie had ooit een hoge elf gezien?), vrienden van de hoge mensen (hun roem was in menig lied bezongen) en van tovenaars (wie had nog nooit gehoord van de machtige Gandalf?) en nog veel andere wonderlijke rassen. Toen, na beraadslagen, besloten de boselfen hun verwanten te zoeken. Hun groep was niet groot en het leven in het Oosten was hard en moeilijk. Lange droge winters en heette droge zomers maakten het leven van de boselfen niet aangenaam. Uriah, die als kind al een aanleg had om overal de weg te vinden, diende als verkenner voor de groep en ze deed haar taak goed. Tot ze verrast werd door een soort wolven - Wargs. Nu leidde ze Tuurke en Parco naar de groep. Ze liepen stilletjes door het bos want ze voelden zich niet helemaal veilig. Hier en daar lagen grote rotsblokken verspreid want het terrein was heuvelachtig en her en der staken voorlopers van de bergen van Gorgoroth boven het bos uit. De Zwarte Toren was nog ver weg en ook de Doemsberg kon van hier nog niet gezien zodat hun aanwezig nog geen zwarte schaduw kon werpen op de levende wezens in het bos. Helaas deden zich wel heel wat geruchten de ronde en werd er gefluisterd of het kwade die terug gekomen was in Mordor. Ze waren dus op hun hoede voor elk mogelijk lawaai dat niet in het bos thuis hoorde. Plots hoorden ze een bulderende lach. Uriah keek naar Tuurke en gebood hem te volgen. Voorzicht slopen ze door het struikgewas. Op een open plek zagen ze groepje trollen en enkele trollen. Ze konden het zichtbaar niet met elkaar overeen komen. In het midden zaten enkele kleine figuren vastgebonden op de grond. Dwergen en een heel vreemde figuur. Geen dwerg want hij had geen baard en zijn handen waren vreemd behaard. Tuurke kende dat soort mensen niet maar Uriah had van hen gehoord in één van de verhalen van de bard. Een hobbit! Die was wel heel ver van thuis weg. Naast de halfling lag een heel vreemd creatuur. Het droeg nauwelijks kleren behalve een lendendoek en leek oud, uitgeteerd en mager. Geen prettige verschijning. Gevaarlijk ook al droeg hij zware ketens aan handen en voeten. Toen hoorden ze waarover de aardmannen en de trollen over redetwisten.
‘Ik zeg je dat wij de dwergen zullen opeten. Wij hebben ze gevangen dus mogen we ermee doen wat we willen.’ De grote trol was duidelijk leider van het stelletje trollen. Ze waren dan wel maar met zijn drieën maar trollen waren groot en sterk en konden gemakkelijk enkele aardmannen aan. Dat beseften de aardmannen blijkbaar maar al te goed want al waren die met zijn tienen toch leek hun aanvoerder niet zeker te zijn.
‘Wij hebben de opdracht gekregen om hen naar Mordor te brengen.’
‘Zo, Mordor hé. Wie zegt dat, ventje?’
‘De heer van de Nazgûl heeft het ons zelf bevolen. Hij heeft me persoonlijk de opdracht gegeven.’
De aardman siste het nijdig uit en de trol deed een stap achteruit. De Nazgûl werden door iedereen gevreesd, bijna zo erg als Sauron zelf. Mutten, de leider van de trollen begon te twijfelen. Hij had zijn bevelen van Saruman gekregen en die had niet gezegd dat hij iemand naar Mordor moest brengen. Plots zei een stem:
‘Hé Mutten, doe niet zo dom. Je gelooft die aardman toch niet zeker? Sla hem de kop in.’
Mutten keek verbaasd om zich heen. De andere trollen keken hem schaapachtig aan maar de aardmannen reageerden direct. Ze hadden vlug hun wapens bij de hand.
‘Hé, hé. Kalm aan.’ Mutten probeerde de situatie in de hand te houden. ‘We gaan niemand de kop in slaan.’ Hij keek nijdig naar zijn kompanen en richtte zich toen tot de hoofdman van de aardmannen.
‘Dat vreemde kereltje, die Hobsit, mogen jullie hebben. Die is toch veel te klein. Neem hem maar mee naar Mordor. De dwergen houden we en eten we op.’
‘Nee,’ siste de aardman, ‘want één van de dwergen kan ook de ring hebben. Ze gaan allemaal mee.’
Toen weerklonk weer een stem:
‘Hé baas. Dat is toch niet die ring die we van dat kereltje afpakten en in onze grot hebben gelegd? Wacht ik ga die halen. Ik heb toch de sleutel.’
Mutten werd plots bleek van kwaadheid. Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde een grote, grove sleutel uit. Hij draaide zich om en riep:
‘Ik heb de sleutel van de grot en we hebben helemaal geen ring afgenomen! Stelletje idioten!’
Helaas voor hem gingen de aardmannen tot de aanval over. Op dat moment kwam een blauwe figuur naast Tuurke en Uriah gehurkt. Hij legde zijn vinger op zijn lippen en keek toen naar het gevecht.
Mutten was dan wel volledig verrast, Bieken en Danten, de twee andere trollen reageerden gevat. Met hun geweldige knots velden ze direct twee aardmanen. De rest kwam echter direct aangestormd en al gauw kregen de trollen het moeilijk. Mutten werd het eerst gewond want hij was in de rug aangevallen. Een gevaarlijke jaap zorgde dat hij veel bloed verloor. Terwijl hij zich omdraaide zwaaide hij met zijn knots en liet die gevaarlijk op een hoofd neer komen. De hoofdman van de aardmannen duizelde ervan en kon enkele tellen niets meer doen. Gelukkig kwamen zijn ondergeschikten te hulp maar twee sneuvelden al vlug door de knots van Mutten. Bieken had intussen ook reeds een aardman gedood maar had intussen wel meerdere wonden opgelopen. Het bloed stroomde uit een diepe snee net boven zijn hoofd zodat hij nog nauwelijks iets kon zien. Het maakte hem razend en hij zwaaide in het wild rond met zijn knots. Aardmannen zijn echter getrainde soldaten en één van de overlevende aardmannen stak hem behendig neer. Danten zag zijn kompaan vallen en wierp zich als een razende op de aardman. Terwijl hij de aardman een dodelijke klap toe diende krijg hij diens wapen in zijn borst. Dodelijk gewond viel hij neer. Mutten was intussen in een gevecht gewikkeld met de hoofdman. Ze draaiden om elkaar heen terwijl de 4 andere aardmannen wachten op de juiste gelegenheid om Mutten aan te vallen. Aardmannen vochten nooit eerlijk maar een trol, zelfs al was die zo gewond, bleef nog steeds een trol – gevaarlijk tot het einde. De blauwe figuur boog zich toen naar Uriah en fluisterde:
‘Radagast is mijn naam. Vlug – je boog.’
Uriah reageerde bliksemsnel. Ze nam haar boog en schoot. De hoofdman viel dood neer. De vier resterende aardmannen en de trol bleven stokstijf staan.
‘Nu’, riep Radagast. Hij nam zijn tovenaarsstaf en rende naar voor. Tuurke volgde hem bliksemsnel en trok zijn zwaard. Voordat ze de vijand hadden bereikt viel Mutten dood neer. Een pijl stak in zijn hoofd. Radagast ontstak aan het einde van zijn staf een tovenaarsvuur en stuurde die naar de dichtste vijand. De aardman vatte direct vuur en liep krijsend in het rond. Tuurke maakte een schijnbeweging en doorstak zijn dichtste vijand doeltreffend met zijn zwaard. De derde aardman kwam op hem af maar raakte niet ver. Een pijl, een tweede pijl en ook deze viel dood neer. De laatste aardman wilde weg vluchten maar Radagast versperde hem de weg. Hij draaide zich om en zag Tuurke voor hem opduiken. Die ging direct tot de aanval over. De aardman, overmant door angst was geen moeilijke tegenstander en lag al gauw dodelijk gewond op de grond.
Tuurke keek naar Uriah.
‘Alles in orde?’
‘Ja, en jij?’
‘Ik ook.’ Toen kijken ze beiden naar de vreemde man, die helemaal in het blauw gekleed was en zich had voorgesteld als Radagast.
‘Bent u echt Radagast, de tovenaar? Dan was het jouw stem die we hoorden en verwarring stichtte tussen de trollen en de aardmannen?’, vroeg Uriah.
De man lachte vriendelijk naar haar.
‘Inderdaad, dat ben ik en ja - dat was mijn stem. Een truck die ik geleerd heb van mijn broer. Wie mogen jullie wezen?’
‘Ik ben Uriah, een boself uit het Oosten. Mijn verwanten kamperen een eind verder op. Wij zijn op zoek naar onze verwanten uit het Westen. Dit is Arthurus, een dappere ridder uit het Oosten met zijn paard Parco.’
‘Aangenaam.’ zei Parco terwijl hij kwam aangeslenterd. ‘Wat doen we met deze arme gevangenen?’
‘Maak de dwergen en de hobbit vrij. Die ander is onze gevangene.’
Tuurke en Uriah verwijderden vlug de boeien van de dwergen en de hobbit.
‘Frerin, uw dienaar.’ Zo stelde de eerste dwerg zich voor die ze bevrijd hadden. ‘Uriah, uw dienares en die van u familie.’ Uriah kende duidelijk de gewoontes van de dwergen goed. De dwerg die Tuurke bevrijde, heette Azog en de hobbit, door Radagast bevrijd, stelde zich zelf voor als Adelard Toek. De laatste dwerg, door Uriah bevrijd, bleek verbazend een vrouw te zijn. ‘Dís, uw dienares.’
‘Uriah, uw dienares en die van u familie.’ Het gezelschap keek elkaar wat onwennig aan. Uiteindelijk stelde Uriah voor om verder te gaan naar het kamp van haar volk en daar wat te rusten en te praten.
‘Waarom mag die arme kerel niet uit zijn boeien?’, vroeg Tuurke plots aan Radagast.
‘Hemel, nee. Dat kan ik niet toelaten. Bijna het ganse vrije Westen is op zoek naar hem. Vooral mijn broer, Gandalf, zoekt hem nu al jaren. Dat is Gollem. Vroeger heette hij Sméagol. Hij is een soort Hobbit en schijnt heel belangrijk te zijn en heel gevaarlijk. Blijkbaar zoeken de volgelingen van de duistere tovenaar hem ook. Ik zal hem zo vlug mogelijk naar mijn broer brengen.’
‘Zo dat de sleutel van zijn boeien kunnen zijn?’, vroeg Uriah terwijl ze de grove sleutel van de trol opraapte.
‘Nee,’ lachte Radagast. ‘Deze trollensleutel dient om hun grot op slot te houden. Trollen hebben altijd een grot waar ze hun gestolen dingen en eten in bewaren.’
‘Zou die grot niet dicht bij kunnen zijn?’, vroeg de hobbit, ‘Die trol sprak er toch van?’
Iedereen ging op zoek tot Tuurke plots in een rotswand een opening vond.
‘Hierheen!’, riep hij.
Radagast, die als tovenaar wel wat kende van Trollen, opende de grot. Een stank van rottend vlees en zweet kwam hen tegemoet. Voorzichten stapten ze de grot binnen. Radagast, wiens staf licht uitstraalde, en Tuurke liepen voorop met de rest op een kleine afstand. Er stonden grote tonnen met vlees en andere voorraden. Het was duidelijk een grot die veel gebruikt werd. Er lag allerlei troep op de grond en de grot was bezaaid met beenderen van dieren maar ook van mensen. Iets verder stond een grote kist waarvan de inhoud blonk in het licht.
‘Dat lijkt op goud.’, zei één van de dwergen. Dwergen zijn, zoals je misschien wel weet, nogal gek op goud.
Ze haalden de voorwerpen uit de kist. Het meeste waren sieraden. Sommige grof en dof maar er waren ook prachtige sieraden bij, gemaakt door zeer vaardige dwergen en enkele zelfs door elfen. Uriah vond een zilveren blad aan een ketting. Een witte diamant schitterde in het midden van het blad. Het diamand straalde schitterend in de donkere grot.
‘Als we ooit bij Elrond, Celeborn of Galadriel komen, dan zal je het hem best vragen maar ik vermoed dat dit iets is dat elfen lang geleden gemaakt hebben. Er straalt een kracht van uit die enkel de hoogelfen kenden. Bewaar dit veilig, Uriah.’
‘Dank je, Radagast.’
Tuurke haalde een schitterend zwaard uit de kist. De dwergen floten van verbazing. Radagast bekeek ernstig het zwaard.
‘Tuurke, dit is een elfenzwaard. Hou hem in ere want het lijkt me een belangrijk zwaard. Meestal hebben dit soort elfenwapens een naam maar ik weet daar helaas te weinig van. Ook hiervoor is Elrond de beste raadgever.’
Ze vonden ook verschillende schitterende wapenuitrustingen die door dwergen gemaakt waren en die de dwergen direct pasten. Ook voor de hobbit vonden ze een lichte wapenuitrusting. Radagast keek verbaasd naar de maliënkolders en ook Tuurke keek verrast.
‘Dit is geen gewoon metaal. Zoiets heb ik nog nooit gezien.’
‘Dit,’ antwoordde Dìs, ‘is Mithril, gemaakt van het metaal dat enkel te vinden was in de grotten van Moria. Sterker dan staal en zeldzamer dan goud of zilver. De dwergen dolven het in Moria lang geleden. Toen waren wij dwergen de meesters der smeden en wij maakten voorwerpen die zelfs de hoogelfen begeerden. Helaas trok het ook het kwade aan en viel Moria. Sindsdien heeft geen enkele dwerg zich daar nog gewaagd. Het is vreemd om dit hier te vinden.’
Ze vonden ook een zware knots met zwart ijzer versterkt. Het kwade scheen in het wapen te huizen en ze durfden het haast niet aan te raken.
‘Dit lijkt me een wapen van een belangrijke Ork of trol te zijn.’ Radagast fronste de wenkbrauwen terwijl hij de knots bekeek. ‘Dit wapen heeft al veel kwaad toe gebracht. Wikkel het goed in en verberg het goed. Zodra we de kans hebben zal ik proberen om dat wapen te vernietigen. De wereld is beter zonder die soort duistere dingen.’
Toen ze de grot volledig doorzocht hadden namen ze de dingen mee die ze waardevol vonden en niet te zwaar om te dragen. Tuurke keek Randagast aan.
‘Ik heb uw broer ontmoet niet zo ver hier vandaan. Hij was in het gezelschap van een Ent en is nu op weg naar het noorden naar een plaats die de gauw heet. Zullen we hem volgen naar het noorden? Hij is toch op zoek naar uw gevangene?’ Randagast keek Tuurke verrast aan. ‘Wel, wel. Dit is een dag met verrassingen. We zullen hem volgen maar eerst gaan we naar het kamp van de elfen. De weg naar het noorden is gevaarlijk en we gaan beter in gezelschap. Vooral als het gezelschap van elfen is.’ Hij keek naar Uriah en ze knikte.
‘Kom,’ zei Uriah, ‘volg ons.’
Ze legden Gollem op Parco en zwijgend ging de groep op stap. Na enkele uren kwamen ze aan in het elfenkamp. Ze werden er hartelijk verwelkomt. Hoewel het kamp niet groot was en de boselfen niet met veel, waren ze toch verbazend goed uitgerust en Tuurke zag ook dat ze heel wat paarden bij hadden. De meeste boselfen keken heel nieuwsgierig naar de dwergen want dit waren dwergen uit het westen. Ze waren heel verwonderd over de hobbit want al kende ze hobbits uit het verhaal van de draak, ze hadden nog nooit een halfling gezien. Gollem werd met heel veel argwaan bekeken maar Radagast werd door de boselfen onmiddellijk aanvaard. Gollem werd naar een tent gebracht. Hij had nog geen teken van leven gegeven sinds ze hem bevrijd hadden. Hij leek er erg aan toe en heel wat verwondingen. Radagast weet deze aan de vele folteringen die hij had moeten ondergaan in Barad-Dûr - de Zwarte Toren. Toen herinnerde Tuurke plots het pakje dat hij het witte pakje dat hij dagen geleden van de twee dames gekregen had. Hij haalde het van zijn zadel en opende het. Het bevatte enkele potjes zalf. Elk had een etiket op. Eentje bevatte zalf ‘tegen verwondingen door folteringen’. Hij smeerde Gollem zo goed mogelijk met die zalf in. Toen hij gedaan had en de tent verliet merkte hij dat de elfen een avondmaal hadden klaar gemaakt. Dankbaar zette hij zich aan bij het kampvuur. Terwijl de elfen hun gasten van eten voorzagen, vertelden die elk hun verhaal. Hoewel Gollem bij kennis was gekomen, weigerde hij te spreken en wilde hij niets eten. Hij verafschuwde de elfen en week steeds achteruit als er één dichterbij kwam. Uiteindelijk bleek alleen hij alleen Tuurke te aanvaarden. Hoewel hij niets zij, luisterde hij naar alles dat verteld werd. Tuurke vertelde de elfen over zijn ontmoeting met Gandalf en Boombaard. De elfen kenden beiden van reputatie en hadden ooit Boombaard zelf ontmoet. Ze hadden voor hem wel een andere, meer elfse naam. Hij vertelde hen ook over de Hobbits en vooral Gollem leek bijzonder te luisteren. Toen deed de rest hun verhaal.
‘Ik ben dus Radagast de tovenaar. Mijn broer, Gandalf, vroeg me een hele tijd geleden om op zoek te gaan naar dit schepsel.’ Hij wees naar de tent waar Gollem lag te slapen. ‘Sinds de duistere tovenaar terug is, zoekt hij wat hij het meest begeerd – de ring van macht. Gollem heeft die heel lang gehad dus is het belangrijk dat hij Gollem niet in zijn macht krijgt. Helaas lijkt het erop dat we te laat zijn.’
‘Hoezo? We hebben hem toch bevrijdt van de aardmannen en de trollen?’
‘Ja, maar hij draagt ketens die gemaakt zijn in Mordor. Ik weet niet waarom zij hier waren en wat hun plannen waren maar ze kwamen duidelijk uit Mordor.’
Iedereen zweeg een poosje. Toen sprak de hobbit.
‘Ik ben Adelard Toek. Wij hobbits zijn meestal weinig avontuurlijke lieden maar ik ben niet zo. Ik ga veel op avontuur naar allerlei landen en streken buiten de Gauw. Ik was op weg naar Rivendel, het huis van de wijze Elrond, om mijn oom Bilbo te bezoeken. Helaas werd onze groep overvallen door Orks. Ze namen me gevangen en wilden me naar Mordor brengen maar onderweg raakten de aardmannen van hun weg af. Ze ontmoeten een groep trollen die de opdracht hadden om Gollem vrij te laten en de aardmannen moesten hen helpen. Toen zijn jullie gekomen en hebben ons bevrijd.’
‘En wij zijn dwergen die van op weg waren naar onze nieuwe thuis. Lang woonden wij bij onze verwanten in de IJzerheuvels maar daar wonen bijna geen dwergen meer. De meeste dwergen hebben zich bij onze koning onder de berg gevoegd sinds de draak verslagen is. Wij waren één van de laatste dwergen om te verhuizen. De weg was al een tijd gevaarlijk maar tegenwoordig wagen nog weinig dwergen zich aan de reis. Helaas voor ons was die reis net iets te gevaarlijk geworden. Gelukkig hebben we jullie ontmoet.’
Radagast keek de boselfen en richtte zich toen tot de leider.
‘Ik heb al heel veel gezworven en heb al heel veel gezien. Er zijn maar weinig plaatsen in het Westen die ik niet ken en weinig volkeren die ik nog nooit gezien heb. Toch heb ik nog nooit boselfen als jullie ontmoet. Jullie praten met dieren en iedereen die bij jullie zijn, kan met dieren praten. Jullie zijn niet zoals de boselfen uit het Westen.’
De boselfen keken verbaast en begonnen onder elkaar te praten. Plots stond Tuurke op:
‘Het gaat er niet om of jullie gelijken op de boselfen uit het Westen. Jullie zijn boselfen: wijs, schoon, sterk, edel en moedig. Jullie zullen je ongetwijfeld thuis voelen tussen de boselfen van het Westen of misschien mogen jullie zelfs wonen tussen de hoge elfen. Ik vind dat jullie niet mogen terug keren naar het Oosten. Jullie hebben nu al zo’n lange reis gemaakt. Laat die niet voor niets geweest zijn. Van Boombaard en Gandalf weet ik dat de weg naar het noorden ons brengt naar het mooie Lorien. Daar wonen heel wat elfen. Onder hen bevinden zich Celeborn en Galadriel, wijze elfen en de beste raadgevers die we kunnen vinden. Wel, waarom gaan we dan niet naar daar? Dat lijkt me een goede plaats om naar toe te gaan.’
Iedereen leek al vlug overtuigd van het nut van Tuurkes plan. Iedereen ging vlug slapen zodat ze de volgende dag uitgerust konden vertrekken.
De volgende dag vertrok het gezelschap. Eenmaal ze het woud van Fangorn hadden verlaten volgden de dagenlang een rivier met de hoop die ergens te kunnen oversteken. Hun tocht leidde hen naar het oosten en dat zinde Tuurke niet.
3.
Zuchtend legde hij zijn pen neer. ‘Dit verhaal zal nooit voleindigd worden. Er is teveel dat we niet weten.’ Bilbo keek naar Gandalf en toen naar Sam en Frodo. ‘Zelfs met wat we weten van Gollem is het verhaal van Arthurus onvolledig.’
Gandalf keek Bilbo fronsend aan.
‘Ik had zelf ook wel meer willen weten, mijn beste Bilbo. Vooral over de twee Istari want dat gaat me het meest aan. Maar ik vrees dat het nog lang zal duren voordat we alle antwoorden zullen kennen – als we die ooit zullen krijgen. Toch zal het verhaal van Arthurus nooit geheel verloren gaan.’ Bilbo gaf het boek aan Sam.
‘Bewaar dit goed, Sam. Het is een verhaal dat weinigen kennen.’
Eerbiedig nam Sam het boek aan. Het was een moeilijke tijd voor hem. Zijn vrienden stonden op het punt naar het Westen te vertrekken. Bilbo, Gandalf en Frodo vertoefden al een tijdje in de Grijze Havens. Net als vele elfen voor hen, gingen ze naar het Westwaarts de zeeën over. Hij keek naar Gandalf en zag dat die in gedachten verzonken was. Gandalf dacht aan de dingen die Faramir had verteld over zijn ontmoeting met Arthurus
‘We volgen een groep orks aan de noorderzijde van de Asbergen toen we hen plots ontmoetten. Een vreemde groep, minden in de schaarse bossen. Elfen, dat weet ik zeker. Drie dwergen, een halfling en een mens. Wat er zich in die tent bevond, kende ik toen niet. Pas later, toen we Frodo en Sam ontmoetten wist ik dat het Gollem was. Vooral de tovenaar en de halfling waren niet wie ze eerst beweerden te zijn. Daarom waren we op onze hoede. Mijn groep had hen omsingeld en onder schot. Niemand kon er levend weg raken. Dat wist de man maar al te goed dus begon hij te onderhandelen. Hij stelde zich voor als Arthurus.
Arthurus was die morgen ruw opgewekt. Overal rond het kamp van de elfen waren mensen te zien – mannen gewapend met bogen. Grimmig en sterk en zwaar bewapent. Hun leider stapte naar voor
‘Ik ben Faramir, zoon van Denethor, stadhouder van Gondor. Wie zijn jullie en wat doen jullie hier in ons land?
De elfen overlegden druk met elkaar maar de dwergen en de tovenaar keek eerder verschrikt. Tuurke handelde echter onmiddellijk
‘Ik ben Arthurus’, riep hij met luide stem. ‘Wij komen in vrede.’ Als teken stak hij zijn handen uit met de handpalmen naar voor gericht. De man die zich Faramir noemde zag hem komen en liet zijn wapens zakken
‘Wat doen jullie hier en waarom hebben jullie twee tovenaars mee gebracht?’ De vraag van Faramir overdonderde Tuurke
‘Twee tovenaars? Ik begrijp je niet. Er is hier maar één tovenaar, Radagast. De anderen in mijn gezelschap zijn boselfen, dwergen en Hobbits.
‘Dwergen en elfen: dat is juist. Vreemde elfen maar wel degelijk elfen. Halflingen heb ik nog nooit eerder ontmoet dus weet ik niet hoe die er uit zien maar ik ken wel tovenaars.’ Faramir wees naar de tovenaar in het blauw. ‘Dit is zeker niet Radagast. Radagast de bruine heb ik al meerdere keren ontmoet. Deze man heeft je bedrogen als hij verklaarde dat hij Radagast heet.’ Toen wees hij naar de Hobbit. ‘Dit is ook iemand die niet beweert wat hij is.’ Nauwelijks had Faramir gesproken of de elfen hadden hun bogen in de hand en richtten hun wapens op het tweetal. De blauwe tovenaar keek de Hobbit verslagen aan
‘Deze mens is ons te slim af. Hij heeft ons door. Het heeft geen zin om je vermomming nog langer aan te houden.
Met die veranderde de Hobbit plots in vorm en gestalte. In een ogenblik kreeg hij het uiterlijk van een tovenaar, gekleed in blauw en leunend op een toverstaf. Toen stak de tovenaar die had bekend gemaakt als Radagast zijn handen omhoog en sprak
‘Wij zijn Istari – de Ihryn Luin. Jullie noemen ons gewoonlijk tovenaars. Mijn naam is Alatar en dit is Pallando. Lang geleden zijn wij naar hier gestuurd door de Vala om het duistere gevaar te bestrijden. Wij kwamen met Curunír – die jullie Saruman noemen – en met Mithrandir – die ook wel Gandalf genoemd. Aiwendil – die jullie kennen als Radagast was ook onze metgezel maar hij heeft al lang de zaak waarvoor hij gezonden was verzaakt. Lange tijd geleden trokken wij met Saruman naar het Oosten. Toen keerde hij alleen terug want ook wij verloren de strijd tegen het duister uit het oog. Lange tijd hebben wij in het oosten verbleven tot ook daar de macht van Sauron op kwam. Toen beseften wij wat we vergeten waren en werden beschaamd. Onze schande is groot maar dat zal ons niet weerhouden om opnieuw te strijden tegen Mordor en zijn heerser. Dus zijn we naar het westen terug gekeerd. In vermomming want onze schande is groot. Misschien hoopten we Gandalf te ontmoetten want wij zouden graag zijn raad aanhoren. Doe met ons wat je wil. We zullen ons beschikken in ons lot.’ Toen wende Alatar zich tot Faramir. ‘Hoe wist je dat Pallando geen echte hobbit was?
‘Mithrandir heeft lange tijd in Minas Tirith verbleven. Hoewel mijn vader hem liever kwijt was, bleef hij lange tijd zoeken in de archieven van Gondor. Hij heeft me veel verteld, ook over de halflingen. Hij vertelde me ondermeer dat alle halflingen geen baard maar wel haar op hun voeten hebben en heel zelden schoenen dragen. Dat wisten jullie blijkbaar niet. Echte halflingen zien er anders uit.’ Tuurke keek hem verbaast aan.
‘Daar had ik niet op gelet. Ik heb nochtans echte Hobbits ontmoet. Nog niet zo lang geleden.
Toen kwam de leider van de elfen naar Arthurus en Faramir.
‘Het is een tijd om eerlijk te zijn. Heer Faramir, zoon van Denethor, stadhouder van Gondor. Wij zijn elfen die lang in het oosten hebben vertoefd. Nadat Melkor door de Vala verslagen werd, sloegen wij op de vlucht en hebben ons verborgen voor het kwade. Helaas, een nutteloze onderneming want ook in het oosten is het kwade weer opgestaan. Dus zijn wij van onze moeilijke bestaan terug gekeerd om het duister te bestrijden. Wij hebben namelijk gehoord dat er nog elfen in het westen zijn en wij hopen hen te kunnen helpen in woord en daad. Sommige van ons zijn Tawarwaith – boselfen die nog beschikken over gaven zoals we die kenden toen de wereld nog jong was en de Vala onder ons vertoefden. Ik en enkelen van ons zijn echter Noldor. Mijn naam is Maglor. Ik ben een neef van de witte vrouw.’ Toen keek hij naar Tuurke. ‘Dit is Artúrus. Wat hij echter zelf niet weet maar wat wij al langer wisten: hij mag dan in het oosten geboren zijn en geleefd hebben. Hij is echter een nakomeling van een grote held. Hij is een nakomeling van Húrin. Lang geleden hield Melkor Húrin gevangen en bracht hij zijn huis in verval. Maar Melkor liet Húrin vrij. Lange tijd zwierf Húrin rond tot wij hem vonden. Wij hebben hem lange jaren verzorgt al waren zijn wonden diep. In die lange jaren dat hij bij ons verbleef, schonk hij mijn dochter een zoon. Buiten het zicht van het duister groeide die op. Hij had later nakomelingen. Artúrus is één van zijn nakomelingen.
Faramir keek met verwondering en eerbied naar de elfen en Artúrus
‘Verwanten van Galadriel. Ik heet jullie welkom in dit land. Helaas zijn de tijden duister en is de vijand overal rond ons. Ik wenste dat we onder beter omstandigheden konden ontmoeten. Helaas.’ Faramir gaf een teken en soldaten van Gondor lieten hun wapens zakken
‘Wij kunnen jullie begeleiden tot Minas Tirith maar ik vrees dat mijn vader jullie geen warm welkom zal heetten. Hij is de laatste jaren vreselijk somber en nu mijn broer Boromir naar Rivendel op weg is om nieuws te verkrijgen over de ring, is zijn stemming nog meer somber. Van Minas Tirith kunnen jullie echter naar Fangorn verder gaan waar jullie verwanten wonen. De witte vrouw zal er jullie ongetwijfeld verwelkomen.
Faramir werd echter plots onderbroken door één van zijn soldaten
‘Heer, vergeef me mijn onbeschaamdheid. We hebben een grote groep Oosterlingen gezien. Ze komen deze kant uit. Ze zijn met velen en zwaar bewapend. We kunnen hier niet blijven.’ Faramir stond haastig op en ging met zijn soldaat mee. Tuurke en Maglor volgden hem. Aan de rand van het bos zagen ze een groot leger aan komen. Plots reageerde Tuurke
‘He, maar dat is Fred. Ik ken hem. Wat doet hij hier?’ Faramir en Margol keken hem aan
‘Ik ga met hem praten. Een man alleen zullen ze nog niet zo vlug aanvallen. Ik ben trouwens gekend bij heel wat van die mensen. Misschien kan ik hier een bloedvergieten voorkomen.
‘Ga dan snel’, antwoordde Faramir, ‘want mijn mannen hebben weinig eerbied voor deze Oosterlingen die al heel lang ons land binnen vallen en plunderen.
Vlug stond Tuurke op en rende in de richting van het leger van de Oosterlingen. Al lopend zwaaide hij heftig met zijn armen. Al gauw stak één van de soldaten zijn hand op en het leger kwam moeizaam tot een halt. Een man liep een stukje verder
‘Tuurke! Tuurke! Man, hoe kom jij hier?
‘Ik zou het aan jou moeten vragen, Fred. Sinds wanneer ben jij soldaat?
‘Hela, wie heeft hier halt gegeven?’ Plots brulde een stem. Een zware man kwam naar voren gereden. Als één van de weinigen had hij een paard. Tuurke herkende de man echter onmiddellijk. Hij keek veel betekend naar Fred. Berthus baande zich een weg naar het twee tal
‘Kijk eens aan. De twee halfbroers staan een beetje te kletsen terwijl wij de vijand achtervolgen. Wie denken jullie dat jullie zijn? Bende lamzakken! Ga terug in linie staan en maak voort.’ Berthus brulde hen aan maar Tuurke bewoog niet
‘Ik neem geen bevelen aan van jou, Berthus. Trouwens, welke vijand volg je en waarom zijn al die mensen hier, zo ver van hun huizen?
Berthus werd rood van kwaadheid en keek Tuurke kwaad aan
‘Wij zijn in oorlog met Gondor want zij hebben ons aangevallen. Huizen hebben ze verwoest, vrouwen en kinderen vermoord. Wij moeten ons verdedigen tegen de indringers.
‘Vreemd. Ik heb geen legers van Gondor naar het oosten zien gaan. Wel veel orks en legers van Sauron.
‘Noem je me soms een leugenaar, bastaard? Trouwens, Sauron is de heer van dit land en niet die stadhouder van Gondor. Wij zullen hem verslaan en Sauron zal ons rijkelijk belonen. Dus ga uit de weg of we maken je af.
Tuurke keek verbaast naar Berthus. Berthus keek kwaadaardig naar terug naar Tuurke. Toen sprak Tuurke
‘Ja, Berthus, je bent een leugenaar. Want ik ben er zeker van dat het niet het volk van Gondor was die de huizen vernietigd heeft, vrouwen en kinderen vermoorde. Nee, dat waren de troepen van de donkere tovenaar. Jouw meester maar niet die van mij.
Toen richtte Tuurke zich tot de soldaten
‘Mannen van het oosten. Jullie zijn bedrogen. Deze man heeft jullie bedrogen. Jullie zijn niet aangevallen door Gondor en jullie zullen nooit beloond worden door Sauron. Jullie zijn misleid.’ Nauwelijks was Tuurke begonnen of Berthus sprong van zijn paard en trok zijn zwaard
‘Ik zal je het zwijgen opleggen, bastaard.’ Berthus stormde op Tuurke af. Die ontweek hem echter behendig en trok zijn elfenzwaard. Berthus grijnsde. Toen stormde hij naar voren en viel fanatiek aan. Tuurke echter pareerde elke slag met simpel en hield Berthus gemakkelijk van zich af. Hoe meer Berthus zich inspande, hoe meer hij zich kwaad maakte omdat hij Tuurke helemaal niet kon raken. Het zweet stroomde van Berthus terwijl hij de ene aanval na de ander inzette. Zonder succes. Toen liet hij zijn zwaard zakken
‘Oké, Tuurke. Ik geef me over. Je bent veel te sterk voor me. Jij bent nu de leider van deze groep soldaten.’ Tuurke keek Berthus aandachtig aan en knikte. Toen hij zich omdraaide om de soldaten toe te spreken, sloeg Berthus toe. Maar Tuurke had dit verwacht en draaide zich vliegensvlug om. Berthus zwaard versplinterde door de hevige slag die Tuurke toebracht. Dodelijk gewond stortte Berthus neer. Arthurus hief zijn zwaard omhoog en wende zich tot de soldaten
‘Soldaten van het oosten. Jullie leider is verslagen. Hij heeft jullie bedrogen en jullie met valse voorwendsels naar hier gebracht. Vanaf nu zal ik jullie leiden. Geen leugens en geen bedrog meer.
Alle soldaten hieven eensgezind hun zwaarden omhoog
‘Heil Artúrus, onze leider!
Tuurke liet zijn zwaard zakken en wende Fred
‘Wat is er gebeurd Fred? Waarom zijn zoveel Oosterlingen hier om te vechten?
Fred staarde een tijdje naar de grond voor hij antwoordde
‘Alle mannen werden enkele dagen geleden naar het kasteel ontboden. Niemand wist precies waarom maar als Berthus zoiets gebood dan deed je dat. Toen we daar op het binnenplein stonden te wachten klonken plots klokken. We zagen rook opstijgen. Verschillende mannen verlieten het kasteel om te zien wat gebeurde. Toen ze terug kwamen hadden ze verhalen van plunderaars die hoeven en huizen in brand staken en mensen vermoorden. Berthus beweerde dat het een inval was van Gondor. Hij deelde wapens uit en leidde ons het kasteel buiten. Toen zagen we dat er heel veel hoeven en huizen in brand stonden. Mijn molen was volledig afgebrand. Mijn vrouw, mijn kinderen, …’ Fred wende zijn gezicht af. Er stonden tranen in zijn ogen
‘Heb je de aanvallers gezien, Fred?
‘Ja, enkele heb ik gezien. Ze zagen er verschrikkelijk uit. Ze hadden allen schilden met een witte hand op geschilderd.
Tuurke dacht een ogenblik na
‘Ik benoem je tot mijn eerste officier Fred. Geef bevel om hier een kamp op te slaan en om verkenners uit te sturen. Ik ga enkele vrienden halen en overleg plegen met de soldaten van Gondor.’ Toen draaide Tuurke zich om en ging terug naar het bos. Faramir kwam hem als eerst tegemoet, gevolgd door Maglor, Uriah en de twee tovenaars
‘Gebruiken jullie schilden waarop een witte hand geschilderd is?’ Faramir keek Tuurke verbaasd aan
‘Nee, ons wapen is de witte boom. De witte hand is het teken van de witte tovenaar Saruman.
‘Saruman. Wie is dat precies?’ Tuurke keek van Faramir naar de twee tovenaars. Een van hen gaf antwoord
‘Saruman de witte is altijd beschouwd als onze leider. Hij was de sterkste en heeft altijd veel studie gedaan naar de praktijken van de duistere tovenaar. Sinds lange tijd verblijft hij in Isengard en het ziet er naar uit dat hij nu beschikt over een eigen leger. Maar waarom hij dat leger naar het oosten stuurde, is me een raadsel.
‘Jullie weten blijkbaar veel voor tovenaars die altijd in het oosten verbleven’, merkte Faramir op
‘Wij hadden hulp van Radagast. Hij hield ons regelmatig op de hoogte. Hij is dol op dieren. Vooral vogels genieten zijn aandacht. Hij gebruikt ze regelmatig als boodschappers.
‘Saruman is een verrader, gollem.
Iedereen keek verrast om. Naast Uriah was Gollem plots opgedoken. Nog steeds getekend maar blijkbaar in zeer goede gezondheid. Faramir greep naar zijn zwaard
‘Wie ben jij en waarom waag je het zo een uitspraak te doen?
‘Ik heb het gezien, gollem. De duistere tovenaar sprak met Saruman via een glazen steen, een Palantíri. Saruman is in de macht van hem. Sméagol was lang genoeg gevangen om te weten.
‘Heer Faramir, hoe vlug kan je terug in Gondor zijn?’ Faramir keek Tuurke aan
‘Het duurt zeker een week om Minas Tirith te bereiken. Ook al kennen we de weg in de moerassen en de Nindal, toch is de tocht zwaar.
‘Dan stel ik je voor dat je zo snel mogelijk vertrekt. We zullen u en uw soldaten alle mogelijke middelen geven die we kunnen missen. Als die Saruman onder de macht van Mordor gevallen is, zijn jullie in een groot gevaar.’ Faramir knikte
Terwijl Faramir en zijn gevolg zich haastig opmaakte om te vertrekken beraadslaagde Tuurke met Maglor, Uriah en de tovenaars. Toen kwamen de dwergen met een verzoek.
4.
‘Wij dwergen hebben een groot probleem. Onze koning, Durin, is gevangen genomen door de vijand. Hij wordt voorlopig nog gevangen gehouden in Cirith Ungol. Hem bevrijden is onze taak maar wij zijn met weinig en wij kunnen onze verwanten niet meer op tijd bereiken. Wilt u ons helpen?’
Tuurke keek de dwergen bezorgd aan.
‘Hoe kunnen we deze Cirith Ungol bereiken? Kent er iemand de weg en hoe we die plaats het gemakkelijkst kunnen betreden?’ Opnieuw klonk plots de stem van Gollem.
‘Sméagol kent de weg, gollem. Ik zal je er brengen.’
Tuurke keek hem verrast aan.
‘Wat kan je ons van die plaats vertellen, Sméagol?’
‘Moeilijke trappen lijden naar Cirith Ungol. De vesting van de ringgeesten ligt hoog en is moeilijk te bereiken. Enkel met een list zal je er binnen komen en enkel met een list zal je er weer uit raken.’
‘Dank je, mijn vriend. Je hebt ons goed geholpen.’
Toen richtte Tuurke zich tot de rest van het gezelschap. ‘Ik heb een plan. Morgen vertel ik jullie er alles over. Maar nu moeten we rusten.’
De volgende ochtend stond het ganse leger vroeg paraat.
‘Dit is het plan. Ik ga met Fred en Gollem naar boven en vertel dat ik Gollem terug breng als gevangene. De Oosterlingen volgen ons in groepjes naar boven. De eerste groep brengen de twee dwergen en de volgende gaan samen met de twee tovenaars. De elfen blijven aan het begin van de trap en houden daar de wacht zodat niemand ons in de rug kan aanvallen. Eenmaal we ik, Fred en Gollem binnen zijn zullen we proberen om de poort te openen en zoveel mogelijk mannen binnen te smokkelen. Daarna proberen we de koning te bevrijden.’ De elfen keken nogal bedrukt. Ze verwachten duidelijk onheil maar stemden toch in met het plan. Terwijl het leger zich klaar maakte om te vertrekken, nam Uriah afscheid van Tuurke.
‘Wees voorzichtig, Tuurke. Ik wil je heel graag terug zien.’
Tuurke glimlachte beschaamd naar haar.
‘Waarom helpt dat schepsel, die Gollem ons? Hij haat elfen en ik denk niet dat hij te vertrouwen is.’
Tuurke dacht na voor hij Uriah antwoorde.
‘Ja, hij haat bijna alles. Maar hij haat vooral zichzelf. Het meeste dat hij haat is wat hij zijn lieveling noemt. Hij wil het terug. Ik weet niet goed wat het is maar ik heb er met Maglor over gesproken. Het is blijkbaar iets dat ook de donkere tovenaar begeert. Anders zou die Gollem niet zo gefolterd hebben. Nu haat Gollem de duistere tovenaar nog het meest van al. Hij helpt ons om hem dwars te zitten. Al wil hij zo vlug mogelijk zijn lieveling terug, toch zal hij de duistere tovenaar weerstaan als hij kan.’
‘Wees maar gerust. Ik kom zeker terug.’ Toen richtte hij zich tot Fred:
‘Zorg ervoor dat Gollem van die ketens verlost word. Hou ze wel bij want we zullen ze nodig hebben als we boven zijn. Ik zal echter blij zijn dat hij de ganse klim niet geketend zal zijn.’
Nadat Gollem van zijn ketens was bevrijd, ging het trio op weg. Fred en Arthurus droegen voorraden en Gollem hield een toorts in de hand. Zo konden de groepen die volgden de weg gemakkelijker vinden. Al gauw verlieten ze de kring van bomen en liepen langs de weg naar de bergen. Die liep eerst een eind recht door maat al gauw begon die af te buigen tot vlak bij een grote rotswand die het gehele gebied domineerde. De weg kroop verder onder de schaduw van de rotswand die zwart en donker boven hen uit rees. Toen de weg voor hun voeten steil begon te worden zagen ze het einddoel somber afsteken tegen de donkere lucht: de stad van de ringgeesten. Terwijl ze voort snelden, vertelde Gollem alles wat hij wist over de vesting. Toen echter zweeg hij plots. Ze waren plots genaderd bij een witte brug. Hier liep een weg, die lichtjes glansde in het flauwe daglicht, over een rivier in het midden van een vallei. Verder was een stad met in het midden een witte toren en de weg slingerde zich met vele omwegen naar de poort van die stad. Brede vlakten omringden de stad. Een flauwe lijkenlucht kwam op hen af – een geur van verrotting die de lucht onaangenaam maakte.
‘Niet die weg. Niet die weg. Niet naar Minas Morgul. Hij is daarginds. Altijd daar. Orksss zullen je aanvallen en doden of je in de kerker van hem werpen tot hij je dood martelt. Veel te gevaarlijk.’
Tuurke keek naar beide wegen en twijfelde. Hoe zou hij de rest laten weten waar ze naar toe waren? Toen haalde hij uit zijn rugzak een pijl – één van de dingen die ze uit de trollengrot hadden gehaald. De pijl gaf licht en was van stevig metaal gemaakt in plaats van hout. Tuurke stak de pijl in de grond met de schacht gericht naar de juiste weg. Toen ging het drietal haastig verder. Ze vervolgden het pad en algauw kwamen ze aan een ronde hoek waar de berghelling uitbolde. Daar bevonden zich de eerste treden van de trap waar Gollem over had gesproken. Het bevond zich in volslagen duisternis. Gelukkig hadden ze nog steeds een toorts.
‘Voorzichtig’, fluisterde Gollem. ‘Treden. Heel veel treden. Moeten voorzichtig zijn nu.’
Uren klom het drietal omhoog. De treden waren smal en op ongelijke afstanden van elkaar en verraderlijk. Het drietal zwoegde verder tot Tuurke vreesde dat zijn krachten het gingen begeven. Net op het moment dat vermoeidheid bijna te veel werd, stopte Gollem.
‘Mooi, mooi. We zijn er.’ Hij keerde zich om en fluisterde. ‘Eerste trap gehad. Knappe ridders om zo hoog te klimmen. Sterke ridders om zo vlug te klimmen. Kom, nu kunnen we eventjes rusten.’
Duizelig en moe stapten Tuurke en Fred over de laatste trede en gingen zitten. Zij bevonden zich in een donkere gang, steil maar zonder trappen. Tuurke richtte zich tot Gollem.
‘Hoeveel van die trappen zijn er?’
‘Twee. Slechts twee. Tweede trap langer maar minder moeilijk. Dan een tunnel en dan zijn we bij Cirith Ungol. Tunnel gevaarlijk maar dat voor later. Eerst de tweede trap.’
Fred keek Tuurke verslagen aan.
‘Ik ben nu al vermoeid van die trap. Moeten we echt een tweede keer zo veel klimmen? Ik weet niet of ik dat nu al aan kan.’
Tuurke keek bezorgd naar Fred, die languit was neergezakt en nog nauwelijks wakker kon blijven. Hij zag er zeer vermoeid uit. Ook Gollem leek heel vermoeid. Tuurke zocht in zijn rugzak en vond het pakje die hij een tijdje geleden van de dames gekregen had. Er zat niet veel meer in. Een flesje waarop te lezen stond: ‘verwijderd alle vermoeidheid’. Benieuwd nam hij een slokje. Onmiddellijk werd alle vermoeidheid verdreven. Hij gaf het flesje aan Fred en toen aan Gollem.
‘Hier, neem een slokje van dit.’
Beiden voelden zich vlug beter en konden al gauw weer verder. Toen ze net wilden vertrekken, kwam de eerste groep die hen volgde aan. Allen leken heel vermoeid. Zelfs de dwergen waren buiten adem en konden nauwelijks nog verder. Tuurke gaf hen het flesje met de vermelding dat ze enkel meer een slokje mochten nemen van het drankje en dan het flesje moesten door geven aan de volgende groep. Ze mochten pas verder als de volgende groep aangekomen was. Toen gingen ze verder door de gang. Die leek eindeloos. De ganse tijd stroomde koude lucht over hen heen die af en toe aanwakkerde tot een bittere wind. Tenslotte werd het drietal zich opnieuw bewust van een wand die opdoemde en opnieuw kwamen ze aan een trap. Het was een lange en moeilijke bestijging mar deze trap slingerde zich als een slang omheen de rotswand. Zo vlug als ze maar konden, klommen de helden verder. Na een tijd merkte Tuurke twee torens op aan het einde van de klim. Hij bleef staan en bekeek ze aandachtig. Uit de linker toren scheen rood licht.
‘Het is bijna tijd voor onze list. Is de tunnel voor of na die toren?’
‘Voor de toren,’ antwoordde Gollem. ‘Maar hou uw zwaard klaar in de tunnel. Groot kwaad daar.’
Gollem ging verder en Tuurke en Fred volgde hem. Beiden hadden hun zwaard in de hand. Het elfenzwaard gloeide hevig in de duisternis van de stinkende tunnel.
‘Hemel’, fluisterde Fred, ‘wat is dat voor een stank? Welk gedrocht houd zich hier schuil?’ Tuurke haalde zijn schouders op maar tuurde constant rond. Omdat de duisternis zo volledig was haalde hij uit zijn rugzak het laatste geschenk van de dames uit. Op het glas stonden elfentekens die Tuurke vreemd genoeg vertrouwd voor kwamen. Toen hij het echter uit haalde, sprak hij met luide stem: ‘Aiya Eärenil Elenion Ancalima!’
Het glas scheen plots helder in de tunnel. Op hetzelfde moment voelde Tuurke een aanwezigheid. Oud en kwaadaardig, een dodelijke blik die hen waar nam. Plots viel iets op Gollem. Terwijl die krijste in doodsangst kwam Tuurke in actie. Hij stak onmiddellijk toe. Een grote, afgrijselijke spin rende achteruit maar vluchtte niet weg.
‘Shelob! Shelob!’, krijste Gollem, ‘Oh help me. Help arme Sméagol!’.
Tuurke zag dat de spin aanstalten maakte om opnieuw aan te vallen maar hij was haar voor. Behendig ontweek hij haar en stak toe. Meerdere keren raakte hij haar met het elfenzwaard en telkens deinsde de spin achteruit. Uiteindelijk, verschrompeld door de nederlaag, vluchtte de spin weg in de duisternis. Toen Tuurke zich om draaide, zag hij Gollem op de grond liggen. Hij onderzocht hem vlug en ontdekte dat Gollem door de spin gestoken was. Toen haalde hij het restje van de zalf uit zijn rugzak en verzorgde Gollem. Fred was bij hem komen staan en stond paraat met zijn zwaard in de hand.
‘Fred, doe Gollem weer die ketens om en draag hem. Ik zal je wel beschermen tegen aanvallers.’ Terwijl Fred Gollem ketende, zocht Tuurke opnieuw in zijn rugzak. Toen haalde hij de knots uit die ze in de trollengrot gevonden hadden. Terwijl Fred Gollem oppakte, stak Tuurke zijn zwaard weg en nam de knots in zijn handen. Zo gingen ze verder: Tuurke voorop met een zware, zwarte knots in beide handen en Fred daarachter met Gollem op zijn schouder. Toen hoorden ze plots lawaai: zware voetstappen kwamen hun richting uit. Zwaar rennende Orks kwamen van verschillende richtingen. Plots verscheen een Ork voor Tuurke. Die haalde direct uit met de knots en sloeg de Ork met één slag dood. De volgende Ork onderging het zelfde lot. Toen verschenen verschillende Orks maar die deinsden verschrikt terug.
‘Pas op. Die mens heeft de knots van Gombar! Pas op. Hij kan de knots van Gombar gebruiken. Deze mens is gevaarlijk.’
‘Stop!’ Tuurke riep luid. ‘Ik ben Arthurus, leider van de Oosterlingen. Jullie meester, Sauron, heeft ons naar hier gezonden. Gehoorzaam of onderga hetzelfde lot van jullie soortgenoten!’
De Orks keken elkaar schichtig aan.
‘Wat kom je hier doen, mens?’
Tuurke wees naar Gollem.
‘Wij moeten deze gevangene naar Cirith Ungol brengen tot onze meester hem naar Minas Morgul gebied. Breng ons naar Cirith Ungol.’
De Orks waren op hun hoede maar brachten Tuurke en Fred naar de toren. Daar opende ze de poort en lieten hen binnen.
‘Laat de poort open want er komen nog mannen van mij achter.’ De Orks keken hun hoofdman vertwijfeld aan.
‘Waar zijn de kerkers?’ Tuurke brulde naar de leider van de Orks.
‘We hebben hier geen kerkers heer. Maar we houden onze gevangen vast in de bovenste kamer van deze toren. Daar hebben we al enkele dagen een dwerg gevangen. Niemand kan daaruit ontsnappen.’
‘Breng ons dan maar naar daar.’
De leider van de Orks ging hen voor. Ze bestegen een steile trap. Toen ze in de bovenste kamer aan kwamen, zagen ze een oude dwerg in een hoek zitten. Hij was gebonden maar keek hen alert aan. Ze waren nog maar net in de kamer aangekomen of een Ork kwam aangerend.
‘Shagrat, er zijn hier Oosterlingen aangekomen maar met twee dwergen. En er komen nog meer Oosterlingen aan. Dat is verraad.’ Nauwelijks had de Ork gesproken of Tuurke sloeg hem de schedel in. Shagrat greep zijn wapen en wilde Fred aanvallen maar Tuurke was hem te vlug af. Met een machtige zwaai raakte hij de arm van de Ork zodat diens wapen uit zijn handen viel. De Ork probeerde Tuurke aan te vallen maar Fred stak zijn zwaard zodat Shagrat dodelijk gewond neer viel. Vlug bevrijdden ze de dwerg.
‘Heer Durin, wij zijn hier om je te bevrijden. Kom, we kunnen hier niet blijven.’ De oude dwerg raapte zijn bijl op die in de kamer lag en volgde Tuurke en Fred, die nog steeds Gollem droeg, naar beneden. Op de binnenplaats was een gevecht aan de gang. De Orks probeerden de Oosterlingen en de dwergen naar buiten te drijven maar werden plots door Tuurke in de rug aangevallen. Die zwaaide gevaarlijk met de knots. Meerdere Orks waren danig bevreesd van dat wapen dat ze het op een lopen zetten. Toen de tweede groep met de twee tovenaars aankwam, was het pleit vlug beslecht. De laatste Orks poogden weg te vluchten maar werden door de Oosterlingen gedood.
Tuurke en Fred rusten wat uit terwijl er steeds meer manschappen in de toren aan kwamen.
‘We kunnen hier niet lang blijven, Fred. Er zijn vast enkele Orks ontsnapt en die zullen alarm slaan. Ga met een klein groepje terug en neem de dwergen en Gollem met je mee. Ik zal de rest mee nemen naar die berg daar en daar proberen de aandacht van de Orks te trekken.’
Fred keek naar de berg.
‘Dat lijkt me nogal gevaarlijk, Tuurke. Het lijkt me geen aangename plaats om te verblijven. Wat voor een berg is dat trouwens?’
‘Dat is de Doemberg. Daar zal ik de knots van Gombar in werpen. Het is te gevaarlijk om te blijven bestaan. Het gevaar dat de vijand, die hier zo dit bij is, het in handen krijgt is te groot. Ga nu mijn vriend. Breng de dwergen in veiligheid.’
Fred keek zijn vriend ontroerd aan. Toen wende hij de dwergen en enkelen van de Oosterlingen en ging terug
5.
Gandalf keek de man aan. Zijn borstelige wenkbrauwen gaven de tovenaar een ernstig uiterlijk. Dat hij kon streng zijn konden velen beamen. Kwaad ook, furieus in de strijd, een gesel voor zijn vijanden. Maar de man die voor hem stond was geen vijand.
‘Dus jij bent de man die we kennen als Fred?’
‘Ja, mijnheer … eh … heer tovenaar … ‘
‘Kom, kom’, onderbrak Gandalf, ‘noem me maar gewoon Gandalf.’ Hij glimlachte naar Fred.
‘Ja, Gandalf. Mijn volledige naam is Fredericus, halfbroer van Arthurus en naar ik vernomen heb waarschijnlijk de laatste afstammeling van Húrin.’
‘Had jij geen zuster, beste vriend?’
‘Helaas is zij overleden toen de troepen van Sauron het Oosten binnen vielen.’
‘Ah, dat is droevig nieuws. De oorlog heeft heel veel levens gekost. Helaas kan je ons niet veel vertellen over de slag bij de Doemberg.’
‘Nee, ik was daar niet bij. Ik was bij de dwergen en een deel van de elfen. Wij begeleidden koning Durin naar zijn volk. Wat wij weten hebben we van zelf pas later gehoord. Wij moesten ons haasten want het gevaar kwam ons achterna. Dat we het gehaald hebben, is volledig te danken aan de elfen.’ Gandalf knikte.
‘Gelukkig voor jou, beste Fred. Anders was je misschien niet meer in leven en was er helemaal geen afstammeling van Húrin over.’
‘Was de slag dan zo belangrijk?’ Gandalf antwoordde niet direct. Hij nam zijn pijp op en blies enkele rookwolken de kamer door. Een tijd was hij in gedachten verzonken. Toen keek hij Fred tenslotte aan.
‘Heel wat, zou ik denken. Van wat we gehoord hebben van de arenden, die toch een groot deel van de slag gezien hebben, heeft Tuurke toen een grote slag toe gebracht aan de troepen van Sauron. Net als Húrin en later Tùrin bleek hij een groot krijger te zijn. Een grote krijger en een grote held. Bilbo heeft alles zo veel mogelijk verzameld en opgeschreven. Sam zal je
